rvw-logo
RVW Advies

Nieuws

Prinsjesdagspecial en Belastingplan 2021 - 16 september 2020

In deze Prinsjesdagspecial staan de belangrijkste voorstellen uit het Belastingplan 2021 en aanvullende wetsvoorstellen voor u op rij. De special is verdeeld in de volgende onderwerpen:

– maatregelen Covid-19
– maatregelen ondernemingen;
– maatregelen werkgever;
– maatregelen internationale situaties;
– maatregelen onroerend goed;
– maatregelen particulieren;
– maatregelen auto & mobiliteit;
– overige maatregelen.

De voorgestelde maatregelen zullen per 1 januari 2021 in werking treden, tenzij anders vermeld.

COVID-19

Coronareserve

Om op een vroeger moment een verwacht verlies over 2020 te verrekenen, is onder voorwaarden al goedgekeurd dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting over het boekjaar 2019 een fiscale reserve kunnen vormen (coronareserve). Belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting kunnen deze coronareserve vormen voor het corona gerelateerde verlies dat zich naar verwachting in het boek-jaar 2020 voordoet. De coronareserve verlaagt de winst over 2019 en daardoor kan op korte termijn (een deel van) de betaalde belasting over 2019 terug gekregen worden, of hoeft (een deel van) de belasting over 2019 niet meer te worden betaald. Met dit voorstel wordt de al bestaande goedkeuring in wetgeving omgezet.

Let op!
De coronareserve mag niet groter zijn dan de winst van het jaar 2019 en ook niet groter dan het totale verwachte verlies in het jaar 2020.

Vrijstelling Subsidie vaste lasten
Medio 2020 heeft het kabinet de TOGS vervangen door de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (ook wel tegemoetkoming vaste lasten (TVL) genoemd). Het Belastingplan 2021 regelt dat dit voordeel vrijgesteld is van inkomsten- en vennootschapsbelasting. De bepaling treedt met te-rugwerkende kracht in werking op 1 januari 2020.

Vrijstelling TOGS

Ondernemers die directe schade ondervonden van de coronamaatregelen, konden in een deel van 2020 profiteren van de regeling ‘Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19’ (TOGS). Dit voordeel betrof een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 om de vaste lasten te betalen. In het Belastingplan 2021 is opgenomen dat dit voordeel onbelast is.

Let op!
Eventuele terugbetalingen van TOGS-subsidies zijn dus ook niet aftrekbaar.

Onbelaste bonus voor zorgprofessional

Verschillende zorgprofessionals hebben in hun werk (in)direct de gevolgen van de uitbraak van de co-ronacrisis ondervonden. Het kabinet wil dat deze zorgprofessionals een bonus krijgen van € 1.000 zon-der dat zij daarover inkomstenbelasting betalen. Werkgevers kunnen deze bonus onder voorwaarden ook onbelast verstrekken aan anderen dan eigen werknemers. Daarbij valt te denken aan ingeschakelde zelfstandigen en extern ingehuurd schoonmaakpersoneel.

Let op!
De “werkgever” moet over de bonus aan anderen dan eigen werknemers in principe 75% eindheffing toepassen.

Fiscale kwalificatie TOFA-bijdrage

Door de coronacrisis getroffen flexibele arbeidskrachten konden over de maanden maart, april en/of mei 2020 onder voorwaarden een tegemoetkoming krijgen van het UWV. Dit vloeit voort uit de Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA). Het Belastingplan 2021 bepaalt dat de TOFA-bijdrage telt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het UWV is de inhoudingsplichtige en past in beginsel standaard de loonheffingskorting toe.

Let op!
Op de TOFA-bijdrage wordt, ook zonder verzoek, de standaardloonheffingskorting toege-past. Ook als de heffingskorting al door een andere inhoudingsplichtige wordt toegepast.

ONDERNEMINGEN

Onderzoek invoering vermogensaftrek

Om de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen evenwichtiger te maken, komt er een on-derzoek naar een budgettair neutrale invoering van een vermogensaftrek. We kennen al een earnings-strippingmaatregel. Deze regel beperkt de aftrek van rente om te voorkomen dat bedrijven bovenmatig met vreemd vermogen worden gefinancierd. Het verder beperken van de renteaftrek voor vreemd ver-mogen bij ondernemingen zal ook worden meegenomen in het onderzoek naar een vermogensaftrek.

Verrekening voorheffingen met vpb

Het voornemen is om voor de vennootschapsbelasting de verrekening van voorheffingen zoals de divi-dend- en de kansspelbelasting per 1 januari 2022 te beperken tot de in een jaar verschuldigde vennoot-schapsbelasting. De niet verrekende voorheffingen kunnen worden doorgeschoven naar een later jaar.

Aanpassing renteaftrekbeperking

Op basis van een nieuwe renteaftrekbeperking worden onder omstandigheden renten (waaronder kos-ten en valutaresultaten) ter zake van schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijke persoon van aftrek uitgesloten. Hiermee wordt beoogd om belastinggrondslaguitholling door renteaftrek
binnen concernverband tegen te gaan. Gedoeld wordt op de situatie dat negatieve renten en valuta-winsten het bedrag aan positieve renten, kosten en valutaverliezen overschrijdt, per saldo leidend tot een vrijstelling. Per kwalificerende schuld kan de specifieke renteaftrekbeperking per saldo niet langer leiden tot een lagere winst.

Hoge Vpb-tarief gaat toch niet omlaag

De leerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting wordt vanaf volgend jaar in twee stappen verhoogd naar
€ 245.000 in 2021 en € 395.000 in 2022. Maar de eerder aangekondigde verlaging van vennoot-schapsbelasting over winsten in de tweede schijf, van 25% naar 21,7%, gaat niet door. Voor kleine bedrijven (met een winst tot € 245.000 in 2021) gaat deze belasting wel omlaag van 16,5 naar 15%.

Tip!
Vennootschappen in een fiscale eenheid kunnen overwegen om de fiscale eenheid te be-eindigen zodat voor iedere vennootschap de verlaagde tariefschijf benut kan worden.

Innovatiebox minder voordelig

Als ondernemingen (bv’s, nv’s, etc.) winst maken met innovatieve activiteiten, hoeven zij over dit deel van de winst minder vennootschapsbelasting te betalen. Voor deze innovatieve winsten geldt de zogenaamde innovatiebox. Per 1 januari 2021 stijgt het effectieve tarief van de innovatiebox van 7% naar 9%.

Versnelde afbouw zelfstandigenaftrek

De eerder geplande afbouw van de zelfstandigenaftrek wordt versneld. In 2021 daalt de zelfstandigen-aftrek van € 7.030 naar € 6.670. Tot 2028 bedraagt de jaarlijkse verlaging € 360, in 2028 € 390 en daarna tot 2036 jaarlijks € 110.

Let op!
Uiteindelijk zal de zelfstandigenaftrek in 2036 nog maar € 3.240 bedragen.

Eenduidige berekeningswijze KIA

De berekeningswijze van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt voor belastingplichtigen met meerdere ondernemingen en belastingplichtigen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband (bijv. Vof) verduidelijkt. Een ondernemer heeft recht op KIA naar evenredigheid van zijn investerings-bedrag t.o.v. het totaal van de investeringen van het samenwerkingsverband en de buitenvennoot-schappelijke investeringen van de ondernemer. Voor het bepalen van de hoogte van de KIA per onder-neming wordt voortaan uitgegaan van het investeringsbedrag per onderneming van de belastingplichtige.

Baangerelateerde Investeringskorting

Bij nota van wijziging op het Belastingplan 2021 zal het kabinet per 1 januari 2021 een Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) voorstellen. De BIK laat ondernemers een percentage van de gedane inves-teringen in mindering brengen op de loonheffing. Het kabinet wil deze korting tijdelijk invoeren per 2021 als crisismaatregel. Na afloop van de BIK zal deze budgettaire ruimte worden gebruikt voor een nader te bepalen maatregel met hetzelfde doelbereik (het verlagen van werkgeverskosten).

Beperking verliesverrekening

Bij nota van wijziging op het Belastingplan 2021 zal het kabinet per 1 januari 2022 een in de tijd onbe-perkte voorwaartse verliesverrekening voorstellen (terwijl dat nu zes jaar voorwaarts is). Daarbij zijn de verliezen (zowel voorwaarts als achterwaarts) echter slechts tot een bedrag van € 1 miljoen aan belast-bare winst volledig verrekenbaar. Bij een hogere winst zijn de verliezen slechts tot 50% van die hogere belastbare winst in een jaar verrekenbaar. Deze maatregel volgt uit een van de aanbevelingen van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.

WERKGEVER

Vrije ruimte 2020 gaat omhoog

Voor 2020 wordt de vrije ruimte voor de werkkostenregeling (WKR) met terugwerkende kracht verruimd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 fiscale loonsom. Werkgevers kunnen daardoor hun werk-nemers extra tegemoetkomen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een cadeaubon.

Let op!
Vanaf 1 januari 2021 wordt de vrije ruimte over de loonsom boven de € 400.000 verlaagd van 1,2% naar 1,18%.

Verduidelijking afdrachtvermindering

Voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) bestaat onder voorwaarden recht op een korting op de af te dragen loonheffingen voor private ondernemingen. De bedoeling is dat die korting alleen geldt voor private ondernemingen. Om dat duidelijk te maken is in de wet het begrip publieke kennisinstelling aangepast. De woorden ‘zonder winstoogmerk’ in de wettelijk definitie van het begrip kennisinstelling is komen te vervallen.

Let op!
De afdrachtvermindering voor S&O-werk geldt alleen voor private ondernemingen.

Scholingskosten ex-werknemer ook vrijgesteld

Vanaf 1 januari 2021 mag een werkgever in beginsel de scholingskosten van een ex-werknemer ver-goeden, zonder dat deze werknemer daarover inkomstenbelasting moet betalen. Het is dan niet langer van belang of sprake is van tegenwoordige of vroegere arbeid. De opleiding of studie moet gevolgd worden voor een toekomstig beroep en mag niet zien op onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden om de dienstbetrekking te vervullen of vanwege persoonlijke redenen, zoals een hobby.

Let op!
Deze scholingskostenvergoeding mag niet meer dan 30% hoger zijn dan de scholingskos-tenvergoeding die de werkgever in vergelijkbare gevallen toekent.

Aanpassingen pensioenen

De AOW-leeftijd blijft in 2021 66 jaar en 4 maanden. Daarna stijgt de AOW-leeftijd jaarlijks, tot aan 67 jaar in 2024.

In het kader van de uitwerking van het Pensioenakkoord komt de regering in 2021 met wetsvoorstellen zodat duidelijker wordt:
• wat mensen aan premie voor hun pensioen inleggen;
• wat ze aan vermogen opbouwen;
• hoeveel hun pensioen later wordt.

Ook is het de bedoeling dat het pensioen sneller meebeweegt met de economie. Dat wil zeggen omhoog als het economisch goed gaat en omlaag als economisch slechter gaat. Uiterlijk 2026 zou Nederland moeten overgaan op het nieuwe pensioenstelsel.

Let op!
Doel is dat uiterlijk 2026 het nieuwe pensioenstelsel in werking treedt. De aanpassingen moeten nog in wetsvoorstellen vastgelegd worden.

INTERNATIONAAL

Beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling

Er komt een aanscherping van de liquidatieverliesregeling. Deze regeling vormt een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling: verliezen verbonden aan de liquidatie van deelnemingen kunnen zo toch ten laste van de Nederlandse winst worden gebracht. Voor vaste inrichtingen geldt een vergelijkbare uit-zondering op de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, namelijk de stakingsverlies-regeling.
Er komen drie nieuwe voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een liquidatie- of stakingsverlies:

1. Temporele voorwaarde: het verlies wordt in aanmerking genomen bij liquidatie binnen drie jaar na het jaar van (besluit tot) staking.
2. Territoriale voorwaarde: slechts aftrek van verlies uit Nederland, de EU, de EER en derde landen waarmee de EU een kwalificerend associatieverdrag heeft gesloten.
3. Kwantitatieve voorwaarde: slechts aftrek van liquidatieverlies indien sprake is van beslissende invloed.

Om de regeling uitvoerbaar te maken, is voorgesteld om de beperking in principe slechts toe te passen voor zover het verlies meer bedraagt dan € 5 mln.

Tip!
Er is overgangsrecht voorgesteld voor situaties waarin de ondernemingen van deelnemin-gen zijn geliquideerd of gestaakt voor 1 januari 2021. Als de vereffening is voltooid voor eind 2023 gelden de nieuwe voorwaarden niet.

Samenloop ATAD2 en earningsstripping

Als het jaar waarin vergoedingen of betalingen in aftrek worden geweigerd of tot de winst worden gerekend niet samenvalt met het jaar van dubbel in aanmerking genomen inkomen, dan is het extra opletten geblazen. Dan geldt namelijk de specifieke uitzondering waardoor in het latere jaar het dubbel in aanmerking genomen inkomen aftrekbaar is. Door de voorgestelde uitbreiding van het rentebegrip in de earningsstrippingmaatregel en de minimumkapitaalregel valt het bedrag aan dubbel in aanmerking genomen inkomen dat ingevolge de specifieke uitzondering in aftrek is toegestaan, in een later jaar onder het rentebegrip van de earningsstrippingmaatregel en de minimumkapitaalregel. Dit bedrag kan in een later jaar mogelijk dus alsnog in aftrek worden beperkt.

Let op!
Het voorstel raakt situaties waarin een vergoeding of betaling niet samenvalt met dubbel in aanmerking genomen inkomen. In een later jaar kan de aftrek van zo’n vergoeding of betaling alsnog beperkt zijn.

Aanpassing arm’s-lengthbeginsel

Het arm’s-lengthbeginsel houdt in dat afzonderlijke vennootschappen die binnen een concern met elkaar handelen, daar ook marktconforme prijzen voor betalen. Dit is met name relevant in internationale situaties. In het voorjaar van 2021 komt het kabinet met een afzonderlijk wetsvoorstel om een neer-waartse aanpassing van de Nederlandse fiscale winst volgens het arm’s-lengthbeginsel te beperken als de vergoeding in een ander land bij een gelieerde partij niet of voor een lager bedrag als opbrengst in de heffing wordt betrokken. Deze maatregel beoogt belastingontwijking tegen te gaan.

ONROEREND GOED

Startersvrijstelling overdrachtsbelasting

Starters op de woningmarkt worden onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Zij moe-ten hiervoor 18 tot 35 jaar zijn, een (recht op een) woning verkrijgen en de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Ook mag de vrijstelling niet eerder zijn benut. Of aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt beoordeeld ten tijde van de verkrijging (het passeren van de akte). Bij een geza-menlijke aankoop van een woning, moet men de toepassing van de vrijstelling per persoon bekijken. Mogelijk geldt voor het aandeel van de ene koper een vrijstelling en voor het aandeel van de andere koper niet.

Let op!
Er geldt een overgangsregeling voor kopers die vóór 1 januari 2021 een woning hebben gekocht. Als zij aan alle voorwaarden voldoen, kunnen ze de vrijstelling toepassen bij een volgende aankoop.

Beperking verlaagd tarief

Het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting van 2% geldt enkel nog voor natuurlijke personen die een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. De verkrijger moet direct voorafgaand aan de verkrijging schriftelijk verklaren dat dit de intentie is. De Belastingdienst zal achteraf controleren of de verkrijger de woning inderdaad voor langere tijd als hoofdverblijf is gaan gebruiken. De fiscus kan de toepassing van het verlaagde tarief daardoor terugdraaien (met belastingrente en evt. een boete). De Belastingdienst moet rekening houden met onvoorziene omstandigheden, zoals een scheiding of overlijden.

Fictief OG en economische eigendom

Twee zaken worden uitgezonderd van toepassing van de startersvrijstelling en het verlaagd tarief voor de overdrachtsbelasting. Allereerst is uitgezonderd de verkrijging van enkel de economische eigendom van een woning, zonder dat ook de juridische eigendom wordt geleverd. Daarnaast is uitgezonderd de verkrijging van aandelen in een rechtspersoon die vooral onroerend goed bezit.

Let op!
De verkrijging van een specifiek recht van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, inclusief het recht op het gebruik van minstens 90% van een woning, kan wel onder de vrijstelling of het verlaagd tarief vallen.

Overdrachtsbelasting verhoogd naar 8%

Het algemene tarief van de overdrachtsbelasting wordt verhoogd van 6% naar 8%. Dit tarief geldt voor alle niet-woningen en voor woningen die door de verkrijger niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf worden gebruikt. Dus bijvoorbeeld voor vakantiewoningen, woningen die ouders kopen voor hun kind, bedrijfspanden, en verkrijgingen van woningen door niet-natuurlijke personen zoals rechtspersonen (bijvoorbeeld een bv of woningcorporatie).

Tip!
Houd rekening met een verhoging van het algemene tarief van de overdrachtsbelasting per 2021 naar 8%. Zorg zo mogelijk voor overdracht in 2020; dat scheelt overdrachtsbelasting.

Aangifte doen bij vrijstelling ovb

In de wet wordt opgenomen dat als een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting wordt toegepast, voor die verkrijging een aangifte overdrachtsbelasting moet worden ingediend. Als de verkrijging niet via de notaris verloopt, moet de verkrijger eerst om een uitnodiging tot het doen van aangifte verzoeken. Dit moet binnen een maand na de verkrijging. De inspecteur stelt vervolgens vast wanneer de aangifte binnen moet zijn. Die termijn is minimaal een maand. Als er een notariële akte wordt opgemaakt, ver-zorgt de notaris de aangifte.

Tip!
Bewaak dat bij vrijstelling voor de overdrachtsbelasting er een aangifte wordt ingediend. Als er en notariële akte wordt opgemaakt, verzorgt de notaris die aangifte.

Tarief aanhorigheden

Aanhorigheden zijn objecten die bij een woning behoren, zoals een schuur, garage, enz. De vrijstelling of het verlaagde tarief (2%) voor de overdrachtbelasting kan vanaf 1 januari 2021 enkel nog worden toegepast als deze aanhorigheden gelijktijdig met de woning worden verkregen.
Uiteraard moet de vrijstelling of het verlaagde tarief dan ook op de woning van toepassing zijn.
Later verkregen aanhorigheden vallen altijd onder het algemene tarief van 8%.

Tip!
Zorg dat aanhorigheden gelijktijdig met de woning worden verkregen per 2021.

PARTICULIEREN

Aanpassingen voor box 3, sparen en beleggen

Om de belastingdruk op kleinere vermogens te verzachten, wordt voorgesteld het heffingsvrije ver-mogen in box 3 te verhogen van € 30.846 naar € 50.000 (voor partners samen van € 61.692 naar € 100.000). Ook worden de schijfgrenzen opnieuw vastgesteld, waarbij de 2e schijf begint bij een ver-mogen van € 100.000 en de 3e schijf bij € 1.000.000. Om dit pakket deels te dekken, wordt het belas-tingtarief in box 3 verhoogd van 30% naar 31%.

Doordat het belastbaar inkomen in box 3 voor iedereen daalt, heeft dit een neerwaarts effect op het verzamelinkomen. Om te voorkomen dat hierdoor meer aanspraak gemaakt kan worden op een (ho-gere) toeslag, wordt voorgesteld om de vermogenstoets voortaan te baseren op de rendementsgrond-slag in box 3.

Tarieven inkomstenbelasting 2021

Belastingplichtigen die aan het begin van 2021 nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, krijgen in 2021 naar verwachting met de volgende tariefschijven te maken.

Box 1-tarief 2021 Bel.ink. meer dan (€) maar niet meer dan (€) Tarief 2021 (%)

Schijf laag tarief                  –                        68.507                    37,10%
Schijf hoog tarief              68.507                          –                     49,50%

Deze percentages zijn inclusief premies volksverzekeringen. Voor wie andere premies volksverzekerin-gen gelden, is een andere tariefstructuur van toepassing.

Gewijzigde heffingskortingen

Hierin zijn alleen de wijzigingen in heffingskortingen opgenomen zoals vermeld in de Memorie van toe-lichting van het Belastingplan 2021. Deze betreffen belastingplichtigen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor AOW-gerechtigden gelden lagere maxima.

Heffingskortingen                         2020 (€)      2021 (€)
Algemene heffingskorting
maximaal                                      2.711          2.837
Arbeidskorting max.                       3.819          4.205
Inkomensafhankelijke com-
binatiekorting max.                        2.881          2.815
Jonggehandicaptenkorting                 749             761

Gewijzigde ouderenkorting

De ouderenkorting voor AOW-gerechtigden wordt extra verhoogd. De alleenstaande ouderenkorting ondergaat slechts een inflatiecorrectie.

Heffingskortingen                      2020 (€)                 2021 (€)
Ouderenkorting
maximaal                                     1.622                    1.703
Alleenstaande ouderenkorting           436                       443

Landgoederen

Per 1 januari 2021 gaan andere voorwaarden gelden voor het aanmerken van onroerende zaken als natuurschoonwetlandgoed (NSW-landgoed). Hiervoor geldt al overgangsrecht op grond waarvan voor deze onroerende

zaken nog maximaal 10 jaar de huidige voorwaarden gelden. De voorgestelde wijziging heeft betrekking op het al dan niet invorderen van fiscale claims erf-, schenk- en overdrachtsbelasting voor onroerende zaken die op  31 december 2020 als NSW-landgoed zijn aangemerkt.

Levensloop, inhoudingsplicht

Het overgangsrecht voor levensloopregelingen eindigt vanaf 1 januari 2022. Als eind 2021 nog een levensloopaanspraak bestaat, wordt de waarde van die aanspraak belast. Dit geldt voor de deelnemers die de waarde van de levensloopaanspraak niet voor 1 januari 2022 hebben laten uitkeren en waarbij ook anderszins nog geen heffing heeft plaatsgevonden. Voor een goede afwikkeling van het overgangs-recht van de levensloopregeling wordt de instelling (bank, verzekeraar, enz.) inhoudingsplichtig voor de loonheffing. Dit voor het fictieve genietingsmoment over de waarde van de levensloopaanspraak. De instelling kan de loonheffing direct verhalen op de (ex) werknemer. Vanwege de heffing in box 3 wordt het fictieve genietingsmoment vervroegd naar 1 november 2021.

Let op!
De levensloopverlofkorting en de overige heffingskortingen kan de (ex) werknemer clai-men bij de aangifte inkomstenbelasting.

Tip!
Het fictieve genietingsmoment wordt november 2021. Zo kan de werknemer voor 1 januari 2022 zijn belastingschuld betaald hebben. Aldus wordt het box 3 vermogen verlaagd.

Proportionaliteit kinderopvangtoeslag

Als de kosten van kinderopvang door de ouder slechts gedeeltelijk zijn betaald, wordt het recht op toeslag voortaan vastgesteld naar rato van het bedrag aan kosten dat tijdig is betaald. Het volledige bedrag aan toeslag wordt dus niet langer teruggevorderd. Dit is een wettelijke vastlegging van de uit-spraken van de Raad van State sinds oktober 2019. Ook krijgt de Belastingdienst/Toeslagen de be-voegdheid om bij bijzondere omstandigheden de terugvordering van kinderopvangtoeslag te matigen. Voorts komt er meer ruimte voor belanghebbenden om hun zienswijze kenbaar te maken bij het vast-stellen van een definitieve beschikking. Er komt meer maatwerk.

Doelmatigheidsgrens toeslagen

Het terugvorderen van eerder verleende tegemoetkomingen of voorschotten wordt beperkt. Er wordt een koppeling gemaakt met de doelmatigheidsgrens voor de inkomstenbelasting. Door de Belasting-dienst/Toeslagen terug te vorderen bedragen tot € 47 (bedrag 2020) worden niet meer geïnd.

Let op!
De doelmatigheidsgrens geldt niet voor nabetalingen aan toeslaggerechtigden.

Informatieverplichting toeslagen

Belanghebbenden moeten alle informatie verstrekken die voor de toekenning van toeslagen nodig is. Er wordt vastgelegd dat een belanghebbende minimaal twee weken de tijd krijgt om op een aanmaning (een herinnering op een verzoek om informatie) te reageren. Uiterlijk bij die aanmaning moet de Belas-tingdienst/Toeslagen aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn van het niet nakomen van de informa-tieverplichting. Bovendien moet de Belastingdienst zich voor de aanmaning al redelijkerwijs hebben ingespannen om de informatie te verkrijgen.

Kwijtschelding toeslagschulden

Op een nog nader te bepalen tijdstip wil het kabinet een regeling voor het kwijtschelden van toeslag-schulden invoeren. Het gaat om gevallen waarin er buitengewoon bezwaar is om een terugvordering geheel of gedeeltelijk te voldoen. Van buitengewoon bezwaar is sprake als er geen middelen zijn of worden verwacht om een schuld binnen afzienbare tijd af te kunnen lossen. Ook andere omstandighe-den zijn denkbaar, maar er zullen strikte voorwaarden gelden. Onder de gedeeltelijk of geheel kwijt te schelden bedragen behoren ook invorderingskosten, invorderingsrente en boetes.

Toeslagpartnerschap

Vaak ontstaan problemen doordat burgers als toeslagpartners worden aangemerkt en daardoor toesla-gen teruggevorderd worden. Voor gehuwde partners, waarvan er één wordt opgenomen in een verzor-gingshuis, wordt het mogelijk om het partnerschap voor de toeslagen te beëindigen. Er komt ook een uitzondering voor twee personen die allebei een zakelijke huurovereenkomst met een derde hebben. Waarschijnlijk volgt later een uitzondering voor gedetineerden. Bovendien zal het partnerschap niet meer terugwerken naar het begin van het kalenderjaar. Het geldt pas vanaf de eerste dag van de volgende maand.
Onverzekerde toeslagpartner
Voor het vaststellen van het recht op zorgtoeslag van toeslagpartners wordt niet langer gekeken of de partner verplicht is verzekerd voor de Zorgverzekeringswet. Nu ontvangt de aanvrager geen zorgtoeslag als zijn partner geen zorgverzekering heeft. Toeslagpartners ontvangen voortaan 50% van de tweeper-soonstoeslag als een van hen geen zorgverzekering heeft. Het maakt daarbij niet uit wat daarvan de reden is.

AUTO & MOBILITEIT

Verhoging BPM tarieven

De CO2-schijfgrenzen van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) worden verlaagd met 4,2%. Daarnaast vindt een indexatie van de tarieven plaats, gevolgd door een verhoging met 4,38%. Dit alles om de belastinggrondslag aan te laten sluiten aan de (verwachte) technologische ont-wikkelingen.
Let op!
Rijden met een vervuilende dieselauto wordt ook duurder door een aanscherping van de CO2-grens en een verhoging van het tarief voor de dieseltoeslag.
Lagere bijtelling zonnecelauto’s
Voor nieuwe emissievrije auto’s zoals elektrische auto’s is in 2020 de bijtelling 8% van de catalogus-waarde tot € 45.000. In 2021 geldt een bijtelling van 12% over maximaal € 40.000. Anders dan voor elektrische auto’s geldt voor een waterstofauto geen maximale catalogusprijs waarop de lagere bijtelling van toepassing is, de lagere bijtelling geldt over de volledige cataloguswaarde.
Het kabinet stelt nu voor om ook voor zonnecelauto’s dezelfde regeling te introduceren als voor water-stofauto’s. Een bijtelling van 12% in 2021 berekend over de volledige cataloguswaarde. Een zonnecel-auto is een elektrische auto met geïntegreerde zonnepanelen.

Tip!
Voor auto’s met een waterstofmotor geldt nu al over de volledige cataloguswaarde een verlaagde bijtelling wegens privégebruik. Voor zonnecelauto’s geldt dat vanaf 2021.

Energiebelasting openbare laadpalen

In 2020 kent de energiebelasting een verlaagd tarief voor elektriciteit geleverd aan openbare laadpalen. Ook is er geen tarief vastgesteld voor de ODE (Opslag Duurzame Energie) voor geleverde elektriciteit aan openbare laadpalen . Het kabinet wenst deze maatregelen tot en met 2022 te verlengen. De inschatting is dat de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie hiermee zal instemmen

OVERIGE MAATREGELEN

Stijging ODE-tarieven ten bate van SDE++

In verband met het Klimaatakkoord vindt een uitbreiding plaats van de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) met een module klimaattransitie (SDE++). De samenhangende kasuitgaven van deze regeling worden gedekt door verhoogde heffing op verbruik van elektriciteit en aardgas door bedrijven. Men noemt deze heffing de opslag voor duurzame energie- en klimaattransitie (ODE). De ODE is een opslag op de energiebelasting. Voor huishoudens wordt de ODE-bijdrage gunsti-ger met een aanvullende verhoging van de belastingvermindering in 2021 (€ 5,40) en 2022 (€ 1,00).

Invoering CO2-heffing

Er wordt een CO2-heffing voor de industrie ingevoerd. Deze ziet hoofdzakelijk op de emissie van broei-kasgas bij en voor industriële productie en afvalverbranding. De heffing zal in de eerste plaats gebeuren bij installaties vallend onder het EU ETS. Daarnaast vindt heffing plaats bij afvalverbrandingsinstallaties en installaties met substantiële lachgasuitstoot. Een deel van de uitstoot wordt vrijgesteld. Deze vrij-stelling wordt lineair afgebouwd.

Verlaging tarief verhuurderheffing

Het kabinet wil woningcorporaties verplichten de huurprijzen van huurders met een inkomen onder de inkomensgrenzen voor de huurtoeslag te verlagen. Zij krijgen hiervoor een tegemoetkoming in de vorm van een verlaging van de verhuurderheffing. Het tarief wordt verlaagd met 0,036 procentpunt

Uithoorn

Te veel lenen bij uw eigen BV: LET OP! - 14 augustus 2020

De Nederlandse directeur groot aandeelhouders (dga’s) lenen fors bij hun ‘eigen’ B.V.’s. Zo hadden in 2016 216.000 dga’s in totaal maar liefst € 55 miljard van hun B.V.’s geleend. Omdat gevreesd wordt voor langdurig belastinguitstel, wil het kabinet dit excessieve lenen van de eigen vennootschap ontmoedigen. Hiertoe is onlangs een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend.

De regeling in het kort
Vanaf 2023 worden de mogelijkheden beperkt voor aanmerkelijkbelanghouders om onbelast geld te lenen van hun eigen onderneming. Zij mogen vanaf dan nog tot € 500.000 lenen, met uitzondering van bestaande eigenwoningschulden. Voor zover de schuld hoger is, wordt het meerdere fiscaal beschouwd als dividend. Hierover moet dan, voor het eerst over het jaar 2023, inkomstenbelasting worden betaald (box 2, huidig tarief 26,25%).
Het bedrag van € 500.000 geldt voor de belastingplichtige en zijn partner samen. Dit bedrag geldt als startpunt. Daarna wordt de grens verhoogd met de hoogte van de schuld waarover al eerder belasting is betaald. Dit voorkomt dat in latere jaren hetzelfde gedeelte nogmaals wordt belast.

Uitzondering voor eigenwoningschuld
De maatregel geldt voor alle schulden van de aanmerkelijkbelanghouder. Een uitzondering is er voor leningen die zijn aangegaan voor de financiering van de eigen woning. Deze uitzondering geldt als een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap. Voor de eigenwoningschulden die zijn aangegaan voor 31 december 2022 geldt de uitzondering ook zonder het verstrekken van dit recht van hypotheek.

Voorkoming dubbele heffing
Om te voorkomen, dat sprake zou zijn van dubbele belastingheffing, wordt een aflossing op een lening van meer dan € 500.000 beschouwd als zogenoemd negatief voordeel. Stel dat iemand eind 2023 een schuld aan zijn B.V. heeft van € 650.000 (niet voor de eigen woning). Hij dient dan over € 150.000 26,25% inkomstenbelasting te betalen (huidig tarief), ofwel € 39.375. Als hij in 2024 een bedrag van € 130.000 aflost op zijn lening, wordt dit als ‘negatief voordeel’ beschouwd
Dit negatieve voordeel kan worden verrekend met positief box 2 inkomen in hetzelfde jaar. Denk bijvoorbeeld aan een dividenduitkering of verkoopwinst op aandelen in de eigen B.V. Als dat positieve inkomen niet toereikend is, kan het negatieve voordeel worden verrekend met positief box 2-inkomen in het vorige jaar of de zes volgende jaren. Stel dat de dga uit ons vorige voorbeeld in 2024 geen enkel positief box 2 inkomen heeft, zou hij dus over 2023 € 34.125 (€ 130.000 x 26,25%) kunnen terugontvangen.
Een vergelijkbare regeling geldt bij verkoop van de aandelen.

Tot slot
Op dit moment is er sprake van een wetsvoorstel, dat eerst door de Tweede Kamer en vervolgens door de Eerste Kamer zal moeten worden aangenomen. Als dit het geval is, treedt de maatregel treedt per 1 januari 2023 in werking.
Aanmerkelijkbelanghouders hebben tot het einde van dat jaar (peildatum 31 december 2023) de tijd om zich voor te bereiden. Dat zou uiteraard kunnen gebeuren door schulden aan de B.V. af te lossen. Aangezien hoge (rekening courant) schulden aan de eigen B.V. ook onder de huidige wetgeving al vaak tot fiscale discussie en problemen kunnen leiden, is dat zeker het overwegen waard.

NOW-regeling bekend, loket op 6 april open - 31 maart 2020

De voorwaarden van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) zijn bekend gemaakt. UWV streeft ernaar dat bedrijven vanaf 6 april een aanvraag kunnen indienen. Bedrijven die aan de voorwaarden voldoen, kunnen binnen twee tot vier weken een voorschot verwachten.

Bedrijven die gedurende drie maanden ten minste 20 procent omzetverlies hebben, kunnen hiermee vanaf 1 maart een tegemoetkoming van maximaal 90 procent van de loonsom krijgen naar rato van de omzetdaling. Bij een omzetverlies van 100 procent is dat 90 procent, bij bijvoorbeeld 50 procent omzetverlies wordt dat dan 45 procent van de totale loonsom. Voorwaarde is dat ze hun medewerkers hun reguliere salaris blijven doorbetalen en dat bedrijven tijdens de periode dat er subsidie wordt ontvangen geen aanvraag doen voor ontslag om bedrijfseconomische redenen.

Koolmees: “Ik doe een beroep op ieders morele verantwoordelijkheid om niet te frauderen. Het kabinet rekent op de goede wil van iedereen.”

Omzet
In de regeling spelen twee variabelen een grote rol: de omzet en de loonsom. Hoe hoger het omzetverlies, hoe hoger de tegemoetkoming in de loonsom voor de werkgever. Om de hoogte van het omzetverlies te bepalen, moeten werkgevers eerst hun totale omzet uit 2019 delen door vier. Zij vergelijken dat vervolgens met de omzet in maart-april-mei 2020. Maar soms is uitblijvende klandizie pas later terug te zien in de omzetdaling. Daarom kunnen werkgevers ook een periode aangeven voor de omzetvergelijking die één of twee maanden later start.

Als een bedrijf uit een aantal bedrijfsonderdelen (rechtspersonen) bestaat die samen een concern vormen, wordt de omzetdaling van het hele concern aangehouden. Anders kan de organisatie van het concern grote invloed hebben op de hoogte van de subsidie. En het kabinet vindt het daarnaast aan een concern om verantwoordelijk met medewerkers om te gaan als over het geheel genomen geen sprake is van een forse omzetdaling.

Loonsom
Voor de loonsom worden gegevens uit de loonaangifte bij de Belastingdienst gebruikt. Deze neemt UWV automatisch over. UWV neemt hierbij als grondslag het zogenaamde socialeverzekeringsloon. Hier komt voor alle bedrijven dezelfde opslag van 30 procent bovenop voor werkgeverslasten zoals de opbouw van het vakantiegeld, pensioen en de werkgeverspremies. Er zit daarnaast een maximum aan het loon per werknemer van 9538,- euro per maand. Salaris boven dit bedrag wordt niet gecompenseerd. Ruim 98,5 procent van de werkenden valt onder dit maximum.

De loonsom in de subsidieperiode wordt vergeleken met de loonsom van januari zoals bekend bij de Belastingdienst. Als die ontbreekt, wordt de loonsom van november 2019 genomen. Om calculerend gedrag te voorkomen, worden wijzigingen in de loonaangifte van januari die na 15 maart zijn doorgegeven, voor deze regeling niet meegenomen. Vanwege het belang van de loonsom voor de subsidie is het belangrijk dat werkgevers tijdig loonaangifte blijven doen bij de Belastingdienst.

Flexwerkers
Iedereen voor wie loonaangifte wordt gedaan en verzekerd is voor de WW, ZW of WIA, valt onder de loonsom waarvoor subsidie ontvangen kan worden. Ook het salaris van flexwerkers wordt gecompenseerd, er is geen onderscheid naar contractvorm. Het kabinet roept werkgevers samen met de werkgevers- en werknemersorganisaties op om, indien mogelijk, flexwerkers door te betalen. Als de loonsom krimpt omdat er minder mensen doorbetaald worden, daalt de tegemoetkoming mee.

Aanvragen, voorschot en uitbetalen
UWV streeft ernaar om de regeling vanaf 6 april uit te voeren, maar is nog bezig met de laatste testen voor de uitvoering van de regeling. Naar verwachting gaat het loket bij UWV 6 april open. De aanvraagperiode loopt tot en met 31 mei 2020. Werkgevers geven bij de aanvraag de verwachte omzetdaling op. Als UWV positief oordeelt, keert UWV een voorschot van 80% uit. Dat gebeurt in drie termijnen. Het eerste deel van het voorschot wordt uitgekeerd binnen twee tot vier weken na de indiening van de aanvraag, al verwacht UWV dat dit voor de meeste bedrijven sneller kan.

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend, dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. In beginsel is hiervoor een accountantsverklaring vereist. Vervolgens zal UWV binnen 22 weken een eindafrekening doen. Die kan hoger of lager uitvallen dan bij de eerste opgave werd verwacht. Bedrijven met acute liquiditeitsproblemen kunnen worden geholpen met de andere maatregelen uit het noodpakket.

Tozo en Togs
Naast NOW-regeling zijn ook de voorwaarden voor de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) inmiddels gepubliceerd. Deze regeling ondersteunt zelfstandige ondernemers, onder wie zzp’ers, met inkomensondersteuning en bedrijfskrediet, zodat zij een betere kans hebben om hun bedrijf voort te zetten. De regeling wordt uitgevoerd door gemeenten en geldt vooralsnog tot 1 juni. Voor ondernemers die directe schade ondervinden van diverse kabinetsmaatregelen om het COVID-19 virus in te dammen is daarnaast de Togs geïntroduceerd. Languit: de Tegemoetkoming getroffen sectoren Covid-19. Gedupeerde ondernemers ontvangen een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 om hun vaste lasten te kunnen betalen. De Togs is aan te vragen via rvo.nl/tegemoetkomingcorona

Meer informatie: Ministerie SZW, 31 maart 2020

Nieuw wetsvoorstel voor aanpassingen in Box III - 17 september 2019

Het kabinet heeft in een brief aan de Tweede Kamer een voorstel gedaan om de belastingheffing in Box III op spaargeld te verminderen. Daarvan is overigens de tegenhanger dat voor veel belastingplichtigen de heffing over overig vermogen omhoog zal gaan. Ook zal het tarief dat in Box III over het fictieve rendement wordt berekend van nu 30% omhoog gaan naar 33%. De beoogde ingangsdatum is 2022.

Hoe ziet het plan er in concreto uit?

Spaargeld wordt in de toekomst als een aparte categorie behandeld. Voor de definitie van spaargeld zal worden aangesloten bij de definitie uit de Wet op het Financieel Toezicht voor het begrip deposito. Grosso Modo komt het erop neer dat het geld op een rekening moet staan en vaststaat dat de inleg wordt terugbetaald. Een onderhandse lening aan bijvoorbeeld een kind is dus geen spaargeld.

Het huidige heffingsvrij vermogen (thans € 30.846 en het dubbele voor partners) blijft qua bedrag gehandhaafd, maar nieuw is dat als dit drempelbedrag wordt overschreden het gehele vermogen in Box III belast wordt. Bedraagt het vermogen dus € 30.847 of meer dan vervalt het gehele heffingsvrije vermogen.

Voor het spaargeld wordt een apart laag fictief rendement in acht genomen, vooralsnog wordt uitgegaan van 0,09%. Dit percentage zal meebewegen met de renteontwikkeling. Vervolgens zal de eerste € 400 aan fictief rendement worden vrijgesteld. Bij een percentage van 0,09% betekent dit dat tot een spaarsaldo van € 444.444 er geen belasting in Box III behoeft te worden betaald. Daar komt het bedrag van € 440.000 vandaan dat in de media-uitingen van het Ministerie wordt genoemd. Echter, het is goed te realiseren dat het percentage van 0,09% wijzigt als de rente op enig moment weer omhoog gaat. Stel dat de rente stijgt naar 0,5%, dan is spaargeld al belast vanaf € 80.000.

En hoe dan verder met de heffing op ander vermogen?

Zoals in de inleiding al aangekondigd zullen de mensen die in ander vermogen hebben belegd voor een belangrijk deel de rekening moeten betalen van deze wijziging.

Allereerst vervalt de huidige schijf van vermogen tot (afgerond) € 1.000.000. Wordt over deze eerste schijf nu nog een rendement van 4,22% berekend, dat wordt straks 5,33% over het gehele vermogen. Dat betekent een verhoging van de belastingdruk van meer dan € 3.000 per jaar.

Een andere belangrijke wijziging is dat schulden in het vervolg niet meer tegen hetzelfde tarief worden verrekend als bezittingen. Daar waar de bezittingen worden belast tegen 5,33%, worden de schulden verrekend tegen 3,03%. Koop je nu bijvoorbeeld een tweede woning van € 300.000 met een hypotheek voor hetzelfde bedrag dan is het saldo van bezitting en schuld € 0, en betaal je dus geen belasting. In het nu voorgestelde systeem wordt het fictief inkomen op de woning bepaald op € 15.990 en de aftrek uit hoofde van de schuld op € 9.090. Per saldo zal er dus 33% belasting worden geheven over een bedrag van € 6.900, oftewel € 2.277.

De belasting wordt bepaald aan de hand van het vermogen zoals dat luidt op 1 januari. Dan lijkt het dus aantrekkelijk om vlak voor die datum bijvoorbeeld een aandelenportefeuille te verkopen en op die manier om te zetten in spaargeld, om vervolgens dat spaargeld na die datum weer te gebruiken voor de aankoop van aandelen. Is dat mogelijk?

Het grote verschil tussen de heffing over spaargeld en overig vermogen maakt het natuurlijk aantrekkelijk om rond de peildatum strategisch te gaan schuiven met de samenstelling van het vermogen (“peildatumarbitrage”). De Staatssecretaris heeft dit echter al onderkend en in zijn brief aangekondigd dat aanvullende wetgeving zal worden uitgedacht om dit tegen te gaan. Hoe die maatregelen er precies uit komen te zien blijft nog even in nevelen gehuld. De vraag is of het mogelijk zal blijken dit zo vorm te geven dat het voor de belastingdienst ook controleerbaar is.

Is deze maatregel nu gunstig voor spaarders?

Op het eerste gezicht wel. Belastingplichtigen met een aanzienlijk bedrag aan spaargeld betalen minder belasting. Althans, bij de huidige rentestand. Maar hierbij dient wel het volgende in ogenschouw te worden genomen. Enerzijds vervalt het heffingsvrije vermogen indien het spaargeld meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen en anderzijds gaat de maatregel pas in met ingang van 2022 (dus meer nog meer dan 2 jaar te gaan). Een snelle rekensom leert dat zodra de rente op spaargeld stijgt boven 1,3%, spaarders meer gaan betalen dan nu het geval is. Een rentevergoeding op spaargeld die boven de 1,3% ligt lijkt nu nog onrealistisch, maar de vraag is natuurlijk of dit niet in de (nabije) toekomst zal veranderen.

Het wrange is dat bij de introductie van het huidige stelsel van Box III aan het begin van dit millennium een percentage van fictief 4% werd gepresenteerd als super-vriendelijk want zelfs op staatsobligaties kreeg je immers meer. Vrij snel daarna is de neergang van de rendementen op spaargeld ingezet. Het zou nu extra zuur zijn als de aanpassing waar reeds vele jaren om wordt gevraagd op een moment komt waarvan achteraf blijkt dat de rentevergoeding op spaargeld op een historisch laagtepunt is beland, zodat spaarders in de toekomst wederom onevenredig zwaar belast zullen worden.

De definitieve wettekst moet nog gepubliceerd worden en uiteraard heeft ook ons parlement haar oordeel nog te vellen. We houden de vinger aan de pols.

Vastgoed-B.V. en bedrijfsopvolging, een goede voorbereiding loont - 07 mei 2018

Bij schenking van aandelen van uw bedrijf aan uw kinderen kan mogelijk een beroep worden gedaan op de vrijstelling voor bedrijfsopvolging. De belastingbesparing van deze faciliteit kan flink oplopen. Tot een waarde van ruim € 1 miljoen hoeft er geen schenkbelasting te worden betaald.

Deze vrijstelling kan alleen worden gebruikt voor aandelen van een actieve onderneming. ‘Actief’ wil zeggen dat de werkzaamheden duidelijk verder gaan dan het beheren van een passieve vastgoed-beleggingsportefeuille. Die actieve werkzaamheden moeten ook een hoger rendement opleveren.

De Belastingdienst zal een vastgoed-BV niet snel als een actieve onderneming aanmerken.

Gelukkig hebben de rechters wel oog voor de omstandigheden van het geval. In een recente zaak had een vastgoed-BV de beschikking over een commerciële, een juridische en een administratieve afdeling. Het klein tot middelgroot onderhoud werd door de eigen technische dienst uitgevoerd, die ook toezicht hield bij grote verbouwingen. Volgens de belastingrechter was in dat geval sprake van een actieve onderneming.

In een andere zaak vond de vastgoedontwikkeling plaats in eigen beheer en hield men zich intensief bezig met relatiebeheer. Ook hier was sprake van een actieve onderneming. Beide zaken hadden betrekking op een omvangrijke onroerendgoedportefeuille.

In een zaak die deze week werd gepubliceerd liep het echter minder goed af. In die zaak hield de onderneming zich niet bezig met projectontwikkeling en werden er geen extra diensten aan de huurders verricht. De onroerendgoedportefeuille was niet omvangrijk en werd tegen een geïndexeerde prijs verhuurd. Dat vond de belastingrechter onvoldoende, er was geen actieve onderneming.

Zoals u ziet is de invulling van het begrip ‘actieve onderneming’ erg afhankelijk van de feiten. Bij een bedrijfsopvolging is het verstandig om al in een vroeg stadium voorbereidingen te treffen. Soms is het mogelijk om de vastgoed-onderneming te herstructureren, waardoor deze duidelijker aan de voorwaarden van een actieve onderneming gaat voldoen.

Als belastingadviseur heb ik daar veel ervaring in en help ik u graag uw bedrijfsopvolging zo goed mogelijk voor te bereiden. Neem daarvoor vrijblijvend contact met mij op, ik sta u graag te woord.

Fiscale maatregelen regeerakkoord - 13 oktober 2017

Op dinsdag 10 oktober jl. hebben de partijleiders van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie het regeerakkoord gepresenteerd. Het akkoord bevat diverse fiscale maatregelen, die wij hieronder voor u op een rijtje zullen zetten. Veel maatregelen zijn nog in algemene termen omschreven. De gedetailleerde uitwerking zal gedurende de regeringsperiode in de vorm van wetsvoorstellen tot ons komen.

Eigen woning

In de dagen voorafgaand aan de presentatie van het akkoord hadden de media de meeste aandacht voor de maatregelen rondom de eigen woning. Deze maatregelen houden in:

Het tarief waartegen de hypotheekrente kan worden afgetrokken wordt in stappen van 3% teruggebracht tot het nieuwe basistarief van 36,93%.
Huiseigenaren met geen of een geringe hypotheekschuld gaan alsnog weer belasting betalen over de waarde van de eigen woning. Met een afbouwperiode van 30 jaar lijken de consequenties gedurende de eerstkomende jaren mee te vallen, maar enige scepsis in op zijn plaats. De afbouw van het tarief voor aftrek van hypotheekrente werd een aantal jaren geleden ook aan de belastingplichtigen gepresenteerd als een
regeling met beperkte consequenties gezien de afbouwperiode van 20 jaar.

Vennootschapsbelasting

Het tarief voor de vennootschapsbelasting daalt in een aantal stappen van 20 tot 25% nu naar 16% tot 21% in 2021.
Om een al te grote aanzuigende werking van de BV te voorkomen stijgt in de inkomstenbelasting tegelijkertijd het aanmerkelijk belangtarief (Box II) van 25% naar 28,5%. Voor de DGA blijft daardoor de gecombineerde
druk van Vennootschaps- en Inkomstenbelasting nagenoeg gelijk.
Er komt een beperking in de aftrekmogelijkheid voor rente op vreemd vermogen.
De mogelijkheden verliezen over de jaren heen te verrekenen wordt versoberd, hetgeen onzes inziens zoveel wil zeggen als dat het aantal jaren waarin verliezen voorwaarts kunnen worden verrekend (nu nog 9 jaar) zal worden
teruggebracht.

Tarieven inkomstenbelasting

De huidige vier schijven worden teruggebracht tot een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%
Niet alleen de hypotheekrente is straks nog maar aftrekbaar tegen het basistarief, dit geldt ook voor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek. Alhoewel niet specifiek in de het akkoord benoemd lijkt de tekst te suggereren dat alle aftrekposten, dus ook bijvoorbeeld alimentatie, lijfrentepremies en premies voor een AOV-verzekering straks nog slechts tegen 36,93% aftrekbaar zijn.
In Box II gaat het tarief zoals eerder genoemd met een aantal stappen van 25% naar 28,5%.
In Box III gaat het heffingsvrij vermogen van € 25.225 naar € 30.000. Tevens zal sneller aansluiting gezocht worden bij het werkelijk rendement op spaartegoeden, hetgeen zoveel wil zeggen dat het tarief in de
eerste schijf van € 75.000 licht zal dalen. Gedurende deze kabinetsperiode zal een heffing op basis van het werkelijke rendement worden uitgewerkt.

ZZP’-ers

De veel bekritiseerde wet DBA wordt ingetrokken. In de nieuwe systematiek lijkt de behoefte aan rechtszekerheid voor de opdrachtgever beter te worden geadresseerd. De ZZP-markt wordt daartoe opgedeeld in een drietal delen:
de kwetsbaar genoemde onderkant, de bovenkant en de middengroep.

Aan de onderkant van de markt gaat gewerkt worden met een minimumuurtarief dat tussen de €15 en € 18 zal komen te liggen. ZZP-ers die minder verdienen dan dit tarief én hetzij een contract hebben voor langere
duur (meer dan drie maanden), hetzij reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten, worden altijd geacht in dienstbetrekking te zijn.
Aan de bovenkant van de markt krijgt de ZZP-er een “opt-out”: de ZZP-er kan zelf de keuze maken om niet langer onder de loonbelasting en de werknemersverzekeringen te vallen. Het gaat hierbij om ZZP-ers met een
uurtarief hoger dan € 75 die hetzij een contract hebben van minder dan een jaar hetzij werkzaamheden verrichten die niet kunnen worden aangemerkt als het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.
Voor de middengroep komt er een opdrachtgeversverklaring, die opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid geeft over de inhuur van zelfstandigen. De opdrachtgeversverklaring kan worden aangevraagd via
een webmodule en geeft de opdrachtgever, mits naar waarheid ingevuld, de gewenste bescherming. In deze zin is de werking van de opdrachtgeversverklaring min of meer te vergelijken met de bij invoering van de DBA
afgeschafte VAR, met dien verstande dat nu niet de ZZP-er maar de opdrachtgever de aanvraag doet.

Vestigingsklimaat

Het kabinet streeft naar een aantrekkelijk vestigingsklimaat, maar wil tegelijkertijd de rol van Nederland als belastingparadijs voor internationale ondernemingen terugdringen. Daartoe wordt een aantal maatregelen genomen:

De dividendbelasting wordt afgeschaft. Voor inwoners van Nederland is de dividendbelasting slechts een voorheffing op inkomsten- of vennootschapsbelasting, dus zij zullen hiervan uiteindelijk geen voordeel ondervinden. Slechts buitenlandse aandeelhouders van in Nederland gevestigde ondernemingen hebben hier baat bij.
Daarentegen komt er wel een bronheffing op rente- en royaltystromen vanuit Nederland naar landen met zeer lage belastingtarieven (“belastingparadijzen”).
Ook de fiscale voordelen voor expats worden ingeperkt door de looptijd van de 30%-regeling te beperken van acht naar vijf jaar .

BTW

Het lage BTW-tarief gaat van 6% naar 9%.

Vergroening

Als tegenhanger voor de tariefsverlagingen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, stijgen de heffingen op milieuvervuilend gedrag. Zo komen er aanpassingen in de energiebelasting en een verhoging van de belasting op het storten en verbranden van afval. Als burger zullen we de effecten daarvan terugzien in de vorm van een hogere energierekening of een hogere afvalstoffenheffing via de gemeente. Voorts gaat ingezet worden op afspraken op Europees niveau over belastingheffing op luchtvaart of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen. Indien dit alles geen succes heeft, wordt er eenzijdig een vliegbelasting ingevoerd in 2021.

Pensioen

Het nieuwe kabinet zet in op een vernieuwing van het pensioenstelsel per 2020. Er wordt van de sociale partners verwacht dat zij een nieuw pensioencontract ontwikkelen dat door de SER gedragen wordt. Begin 2018 moeten partijen overeenstemming hebben over de nadere invulling, zodat daarna begonnen kan worden met het wetgevingsproces. In 2020 zou het wetgevingsproces afgerond moeten zijn.

De fiscale regels bij kortstondige verhuur van een woning - 10 mei 2017

Verhuur van woningen via platformen als Airbnb wordt met de dag populairder. Bij deze vorm van verhuur kunt u echter te maken krijgen met verschillende belastingsoorten. Wij zetten de mogelijke fiscale gevolgen voor u op een rij.

Inkomstenbelasting

Voor de inkomstenbelasting is het van belang dat u een onderscheid maakt tussen verhuur van de woning die u zelf bewoont en de verhuur van een woning die u aanhoudt ter belegging.

Tijdelijke verhuur van de eigen woning (box 1)
Indien u uw eigen woning tijdelijk verhuurt dient u 70% van de jaarlijkse verhuuropbrengsten verminderd met de daarmee direct samenhangende kosten op te geven als inkomsten uit eigen woning. Deze inkomsten zijn belast tegen het progressieve tarief in box 1.

Tijdelijke verhuur van een ter belegging aangehouden woning (box 3)
De algemene regel is dat huuropbrengsten niet zijn belast en kosten niet aftrekbaar zijn in box 3, omdat in box 3 het vermogen zelf forfaitair wordt belast en niet de daadwerkelijke opbrengsten.

Maar pas op: indien u een box 3 pand regelmatig kortstondig verhuurd én u in dat kader veel werkzaamheden persoonlijk verricht, kan de fiscus stellen dat er in dat geval geen sprake meer is van ‘normaal vermogensbeheer’. Dit heeft tot gevolg dat het gehele pand (en de eventueel daarmee samenhangende financiering) overgaan van box 3 naar box 1. In box 1 is vervolgens het saldo van alle opbrengsten en kosten die betrekking hebben op deze woning belast tegen het progressieve tarief. Bij verkoop van deze woning is een eventuele boekwinst ook belast in box 1!

Omzetbelasting

Indien u één of meerdere woningen op regelmatige basis kortstondig gaat verhuren bent u wellicht ondernemer voor de omzetbelasting (BTW). U dient dan 6% aan BTW aan uw huurders in rekening te brengen. Daarnaast heeft een ondernemer voor de omzetbelasting ook administratieve verplichtingen die hij moet naleven, zoals bijvoorbeeld het indienen van de aangifte omzetbelasting. Echter, indien u op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan omzetbelasting bent verschuldigd kunt u gebruik maken van de kleineondernemersregeling, u hoeft de in rekening gebrachte omzetbelasting dan niet daadwerkelijk af te dragen. U kunt in dat geval de fiscus verzoeken om een ontheffing voor de administratieve verplichtingen.

Overige aandachtspunten

Bij verhuur van een woning aan toeristen kunt u ook te maken krijgen met de toeristenbelasting, de hoogte van de toeristenbelasting verschilt per gemeente.

In dit artikel is uiteengezet wat globaal de fiscale gevolgen zijn bij tijdelijke verhuur van een woning. De precieze fiscale gevolgen zijn echter sterk afhankelijk van de precieze feiten en omstandigheden. Daarnaast gelden er weer andere fiscale regels bij verhuur van een (deel van een) woning voor de lange termijn en bij tijdelijke verhuur van een te koop staande woning.

Het is derhalve raadzaam om, voordat u begint met het verhuren van een woning, eerst contact op te nemen met een belastingadviseur om de fiscale gevolgen goed in kaart te brengen!

Uitstel stemming wetsvoorstel pensioen in eigen beheer - 31 december 2016

Gisteren heeft de behandeling van het Belastingplan 2017 met bijbehorende wetsvoorstellen in de Eerste Kamer plaatsgevonden. Daarbij heeft de Staatssecretaris verzocht de stemming door de Eerste Kamer voor de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer uit te stellen. De Staatssecretaris komt met een novelle waarin eventueel flankerende maatregelen worden opgenomen. Dit om te voorkomen dat (toekomstige) indexatielasten van opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, ten laste van de fiscale winst worden gebracht.

In die novelle zal de Staatssecretaris tevens een wijziging van de datum van inwerkingtreding van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer voorstellen.

Wij verwachten dat de Staatssecretaris na het kerstreces, dus volgend jaar, met de novelle zal komen. De stemming in de Eerste Kamer zal dan ook volgend jaar plaatsvinden.

Zo wordt het op het gebied van pensioen in eigen beheer dan toch nog een rustige kerst- en eindejaarperiode! Wij wensen u allen hele fijne feestdagen en een goed nieuwjaar.

Geen eenmalige schenkvrijstelling als partnercompensatie bij pensioen in eigen beheer - 21 december 2016

Er komt geen eenmalige vrijstelling van schenkbelasting in relatie tot de partner om zo het succes van de uitfasering van het Pensioen in Eigen Beheer (PEB) te vergroten. Volgens Wiebes hebben een DGA en zijn partner voldoende alternatieven tot hun beschikking, zodat geen sprake hoeft te zijn van een schenking. Dat schrijft hij in het memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017.

Leden van de VVD-fractie vroegen naar de mogelijkheid van deze eenmalige schenkvrijstelling. Wiebes ziet hier niets in: ‘Ook indien men niet in algehele huwelijksgemeenschap is getrouwd, kan men goede afspraken maken dan wel een passende compensatie overeenkomen voor het verlies aan rechten door de partner.’

In de memorie van antwoord benoemt Wiebes een aantal mogelijkheden van compensatie: ‘Net als bij een scheiding kunnen afspraken worden gemaakt om bijvoorbeeld het aan de partner toekomende deel van de waarde van het pensioen bij een professionele verzekeraar onder te brengen. Verder kan de partner compensatie krijgen via bijvoorbeeld aanvullende huwelijkse voorwaarden. Ook de suggestie van de NOB om in een overeenkomst vast te leggen dat de compensatie (uitsluitend) plaatsvindt als de betreffende gebeurtenis (vooroverlijden van de DGA of echtscheiding) zich voordoet, kan een passende compensatie vormen. Als er in relatie tot de pensioenregelgeving sprake is van een passende compensatie van de partner, is geen sprake van een schenking en is derhalve ook geen schenkbelasting verschuldigd.’

Bron: Taxence, 7 december 2016

Bouwkundige aard beslissend bij kwalificatie woning voor overdrachtsbelasting - 21 december 2016

Advocaat-generaal (A-G) Wattel is tot de conclusie gekomen dat men de vraag of een onroerende zaak voor de Wet Belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR 1970) kwalificeert als een woning moet beoordelen naar de bouwkundige aard.

Als een onroerende zaak kwalificeert als een woning voor de WBR 1970, geldt een tarief van 2% in plaats van 6%. Voor deze bepaling verwijst de WBR 1970 niet naar andere wetten. De wetgever noemt als enig criterium dat de onroerende zaak ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’. Dit objectieve criterium kan leiden tot resultaten die niet stroken met het doel van de regeling: doorstroming op de woningmarkt. Maar de wetgever heeft dit gevolg aanvaard.

Bouwkundige aard
Het begrip ‘aard’ moet men volgens de A-G opvatten als bouwkundige aard. In de eerste plaats moet men dus nagaan wat de oorspronkelijke bouwkundige aard en bestemming was bij de bouw van de zaak. ‘Is hij ontworpen en gebouwd als woonhuis, dan is hij naar zijn aard bestemd voor bewoning, ook als er niet meer in wordt gewoond maar er heel andere dingen in gebeuren’ aldus Wattel. Is de zaak niet als woning gebouwd, dan is zij naar haar aard niet bestemd voor bewoning, hoezeer er feitelijk ook structureel in gewoond wordt. Bouwkundige wijzigingen die zo ingrijpend (moeilijk omkeerbaar) zijn dat de aard en het aanzien van de onroerende zaak zijn gewijzigd, kunnen wel leiden tot een herkwalificatie voor de WBR. De functie na de verbouwing moet dan volgens objectieve bouwkundige inzichten verschillen van de functie vóór de verbouwing. De A-G merkt op dat niet is vereist dat de onroerende zaak bewoonbaar is; zij hoeft immers nog niet eens te bestaan.

Nog twijfel?
Pas bij resterende twijfel is naast oorspronkelijke bestemming en eventuele radicale verbouwing met functiewijziging mede van belang wat de publiekrechtelijke bestemming van de zaak is. Levert dat evenmin gezichtspunten op, dan kan men gewicht toekennen aan het structurele feitelijke gebruik. Als ook dat niets oplevert, kan men zich eventueel de vraag stellen of de verkrijging doorstroming op de woningmarkt bevordert.

Bron: Taxence,12 december 2016

1 2 3 6