rvw-logo
RVW Advies

Nieuws

Vastgoed-B.V. en bedrijfsopvolging, een goede voorbereiding loont - 07 mei 2018

Bij schenking van aandelen van uw bedrijf aan uw kinderen kan mogelijk een beroep worden gedaan op de vrijstelling voor bedrijfsopvolging. De belastingbesparing van deze faciliteit kan flink oplopen. Tot een waarde van ruim € 1 miljoen hoeft er geen schenkbelasting te worden betaald.

Deze vrijstelling kan alleen worden gebruikt voor aandelen van een actieve onderneming. ‘Actief’ wil zeggen dat de werkzaamheden duidelijk verder gaan dan het beheren van een passieve vastgoed-beleggingsportefeuille. Die actieve werkzaamheden moeten ook een hoger rendement opleveren.

De Belastingdienst zal een vastgoed-BV niet snel als een actieve onderneming aanmerken.

Gelukkig hebben de rechters wel oog voor de omstandigheden van het geval. In een recente zaak had een vastgoed-BV de beschikking over een commerciële, een juridische en een administratieve afdeling. Het klein tot middelgroot onderhoud werd door de eigen technische dienst uitgevoerd, die ook toezicht hield bij grote verbouwingen. Volgens de belastingrechter was in dat geval sprake van een actieve onderneming.

In een andere zaak vond de vastgoedontwikkeling plaats in eigen beheer en hield men zich intensief bezig met relatiebeheer. Ook hier was sprake van een actieve onderneming. Beide zaken hadden betrekking op een omvangrijke onroerendgoedportefeuille.

In een zaak die deze week werd gepubliceerd liep het echter minder goed af. In die zaak hield de onderneming zich niet bezig met projectontwikkeling en werden er geen extra diensten aan de huurders verricht. De onroerendgoedportefeuille was niet omvangrijk en werd tegen een geïndexeerde prijs verhuurd. Dat vond de belastingrechter onvoldoende, er was geen actieve onderneming.

Zoals u ziet is de invulling van het begrip ‘actieve onderneming’ erg afhankelijk van de feiten. Bij een bedrijfsopvolging is het verstandig om al in een vroeg stadium voorbereidingen te treffen. Soms is het mogelijk om de vastgoed-onderneming te herstructureren, waardoor deze duidelijker aan de voorwaarden van een actieve onderneming gaat voldoen.

Als belastingadviseur heb ik daar veel ervaring in en help ik u graag uw bedrijfsopvolging zo goed mogelijk voor te bereiden. Neem daarvoor vrijblijvend contact met mij op, ik sta u graag te woord.

Fiscale maatregelen regeerakkoord - 13 oktober 2017

Op dinsdag 10 oktober jl. hebben de partijleiders van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie het regeerakkoord gepresenteerd. Het akkoord bevat diverse fiscale maatregelen, die wij hieronder voor u op een rijtje zullen zetten. Veel maatregelen zijn nog in algemene termen omschreven. De gedetailleerde uitwerking zal gedurende de regeringsperiode in de vorm van wetsvoorstellen tot ons komen.

Eigen woning

In de dagen voorafgaand aan de presentatie van het akkoord hadden de media de meeste aandacht voor de maatregelen rondom de eigen woning. Deze maatregelen houden in:

Het tarief waartegen de hypotheekrente kan worden afgetrokken wordt in stappen van 3% teruggebracht tot het nieuwe basistarief van 36,93%.
Huiseigenaren met geen of een geringe hypotheekschuld gaan alsnog weer belasting betalen over de waarde van de eigen woning. Met een afbouwperiode van 30 jaar lijken de consequenties gedurende de eerstkomende jaren mee te vallen, maar enige scepsis in op zijn plaats. De afbouw van het tarief voor aftrek van hypotheekrente werd een aantal jaren geleden ook aan de belastingplichtigen gepresenteerd als een
regeling met beperkte consequenties gezien de afbouwperiode van 20 jaar.

Vennootschapsbelasting

Het tarief voor de vennootschapsbelasting daalt in een aantal stappen van 20 tot 25% nu naar 16% tot 21% in 2021.
Om een al te grote aanzuigende werking van de BV te voorkomen stijgt in de inkomstenbelasting tegelijkertijd het aanmerkelijk belangtarief (Box II) van 25% naar 28,5%. Voor de DGA blijft daardoor de gecombineerde
druk van Vennootschaps- en Inkomstenbelasting nagenoeg gelijk.
Er komt een beperking in de aftrekmogelijkheid voor rente op vreemd vermogen.
De mogelijkheden verliezen over de jaren heen te verrekenen wordt versoberd, hetgeen onzes inziens zoveel wil zeggen als dat het aantal jaren waarin verliezen voorwaarts kunnen worden verrekend (nu nog 9 jaar) zal worden
teruggebracht.

Tarieven inkomstenbelasting

De huidige vier schijven worden teruggebracht tot een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%
Niet alleen de hypotheekrente is straks nog maar aftrekbaar tegen het basistarief, dit geldt ook voor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek. Alhoewel niet specifiek in de het akkoord benoemd lijkt de tekst te suggereren dat alle aftrekposten, dus ook bijvoorbeeld alimentatie, lijfrentepremies en premies voor een AOV-verzekering straks nog slechts tegen 36,93% aftrekbaar zijn.
In Box II gaat het tarief zoals eerder genoemd met een aantal stappen van 25% naar 28,5%.
In Box III gaat het heffingsvrij vermogen van € 25.225 naar € 30.000. Tevens zal sneller aansluiting gezocht worden bij het werkelijk rendement op spaartegoeden, hetgeen zoveel wil zeggen dat het tarief in de
eerste schijf van € 75.000 licht zal dalen. Gedurende deze kabinetsperiode zal een heffing op basis van het werkelijke rendement worden uitgewerkt.

ZZP’-ers

De veel bekritiseerde wet DBA wordt ingetrokken. In de nieuwe systematiek lijkt de behoefte aan rechtszekerheid voor de opdrachtgever beter te worden geadresseerd. De ZZP-markt wordt daartoe opgedeeld in een drietal delen:
de kwetsbaar genoemde onderkant, de bovenkant en de middengroep.

Aan de onderkant van de markt gaat gewerkt worden met een minimumuurtarief dat tussen de €15 en € 18 zal komen te liggen. ZZP-ers die minder verdienen dan dit tarief én hetzij een contract hebben voor langere
duur (meer dan drie maanden), hetzij reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten, worden altijd geacht in dienstbetrekking te zijn.
Aan de bovenkant van de markt krijgt de ZZP-er een “opt-out”: de ZZP-er kan zelf de keuze maken om niet langer onder de loonbelasting en de werknemersverzekeringen te vallen. Het gaat hierbij om ZZP-ers met een
uurtarief hoger dan € 75 die hetzij een contract hebben van minder dan een jaar hetzij werkzaamheden verrichten die niet kunnen worden aangemerkt als het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.
Voor de middengroep komt er een opdrachtgeversverklaring, die opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid geeft over de inhuur van zelfstandigen. De opdrachtgeversverklaring kan worden aangevraagd via
een webmodule en geeft de opdrachtgever, mits naar waarheid ingevuld, de gewenste bescherming. In deze zin is de werking van de opdrachtgeversverklaring min of meer te vergelijken met de bij invoering van de DBA
afgeschafte VAR, met dien verstande dat nu niet de ZZP-er maar de opdrachtgever de aanvraag doet.

Vestigingsklimaat

Het kabinet streeft naar een aantrekkelijk vestigingsklimaat, maar wil tegelijkertijd de rol van Nederland als belastingparadijs voor internationale ondernemingen terugdringen. Daartoe wordt een aantal maatregelen genomen:

De dividendbelasting wordt afgeschaft. Voor inwoners van Nederland is de dividendbelasting slechts een voorheffing op inkomsten- of vennootschapsbelasting, dus zij zullen hiervan uiteindelijk geen voordeel ondervinden. Slechts buitenlandse aandeelhouders van in Nederland gevestigde ondernemingen hebben hier baat bij.
Daarentegen komt er wel een bronheffing op rente- en royaltystromen vanuit Nederland naar landen met zeer lage belastingtarieven (“belastingparadijzen”).
Ook de fiscale voordelen voor expats worden ingeperkt door de looptijd van de 30%-regeling te beperken van acht naar vijf jaar .

BTW

Het lage BTW-tarief gaat van 6% naar 9%.

Vergroening

Als tegenhanger voor de tariefsverlagingen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, stijgen de heffingen op milieuvervuilend gedrag. Zo komen er aanpassingen in de energiebelasting en een verhoging van de belasting op het storten en verbranden van afval. Als burger zullen we de effecten daarvan terugzien in de vorm van een hogere energierekening of een hogere afvalstoffenheffing via de gemeente. Voorts gaat ingezet worden op afspraken op Europees niveau over belastingheffing op luchtvaart of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen. Indien dit alles geen succes heeft, wordt er eenzijdig een vliegbelasting ingevoerd in 2021.

Pensioen

Het nieuwe kabinet zet in op een vernieuwing van het pensioenstelsel per 2020. Er wordt van de sociale partners verwacht dat zij een nieuw pensioencontract ontwikkelen dat door de SER gedragen wordt. Begin 2018 moeten partijen overeenstemming hebben over de nadere invulling, zodat daarna begonnen kan worden met het wetgevingsproces. In 2020 zou het wetgevingsproces afgerond moeten zijn.

De fiscale regels bij kortstondige verhuur van een woning - 10 mei 2017

Verhuur van woningen via platformen als Airbnb wordt met de dag populairder. Bij deze vorm van verhuur kunt u echter te maken krijgen met verschillende belastingsoorten. Wij zetten de mogelijke fiscale gevolgen voor u op een rij.

Inkomstenbelasting

Voor de inkomstenbelasting is het van belang dat u een onderscheid maakt tussen verhuur van de woning die u zelf bewoont en de verhuur van een woning die u aanhoudt ter belegging.

Tijdelijke verhuur van de eigen woning (box 1)
Indien u uw eigen woning tijdelijk verhuurt dient u 70% van de jaarlijkse verhuuropbrengsten verminderd met de daarmee direct samenhangende kosten op te geven als inkomsten uit eigen woning. Deze inkomsten zijn belast tegen het progressieve tarief in box 1.

Tijdelijke verhuur van een ter belegging aangehouden woning (box 3)
De algemene regel is dat huuropbrengsten niet zijn belast en kosten niet aftrekbaar zijn in box 3, omdat in box 3 het vermogen zelf forfaitair wordt belast en niet de daadwerkelijke opbrengsten.

Maar pas op: indien u een box 3 pand regelmatig kortstondig verhuurd én u in dat kader veel werkzaamheden persoonlijk verricht, kan de fiscus stellen dat er in dat geval geen sprake meer is van ‘normaal vermogensbeheer’. Dit heeft tot gevolg dat het gehele pand (en de eventueel daarmee samenhangende financiering) overgaan van box 3 naar box 1. In box 1 is vervolgens het saldo van alle opbrengsten en kosten die betrekking hebben op deze woning belast tegen het progressieve tarief. Bij verkoop van deze woning is een eventuele boekwinst ook belast in box 1!

Omzetbelasting

Indien u één of meerdere woningen op regelmatige basis kortstondig gaat verhuren bent u wellicht ondernemer voor de omzetbelasting (BTW). U dient dan 6% aan BTW aan uw huurders in rekening te brengen. Daarnaast heeft een ondernemer voor de omzetbelasting ook administratieve verplichtingen die hij moet naleven, zoals bijvoorbeeld het indienen van de aangifte omzetbelasting. Echter, indien u op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan omzetbelasting bent verschuldigd kunt u gebruik maken van de kleineondernemersregeling, u hoeft de in rekening gebrachte omzetbelasting dan niet daadwerkelijk af te dragen. U kunt in dat geval de fiscus verzoeken om een ontheffing voor de administratieve verplichtingen.

Overige aandachtspunten

Bij verhuur van een woning aan toeristen kunt u ook te maken krijgen met de toeristenbelasting, de hoogte van de toeristenbelasting verschilt per gemeente.

In dit artikel is uiteengezet wat globaal de fiscale gevolgen zijn bij tijdelijke verhuur van een woning. De precieze fiscale gevolgen zijn echter sterk afhankelijk van de precieze feiten en omstandigheden. Daarnaast gelden er weer andere fiscale regels bij verhuur van een (deel van een) woning voor de lange termijn en bij tijdelijke verhuur van een te koop staande woning.

Het is derhalve raadzaam om, voordat u begint met het verhuren van een woning, eerst contact op te nemen met een belastingadviseur om de fiscale gevolgen goed in kaart te brengen!

Uitstel stemming wetsvoorstel pensioen in eigen beheer - 31 december 2016

Gisteren heeft de behandeling van het Belastingplan 2017 met bijbehorende wetsvoorstellen in de Eerste Kamer plaatsgevonden. Daarbij heeft de Staatssecretaris verzocht de stemming door de Eerste Kamer voor de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer uit te stellen. De Staatssecretaris komt met een novelle waarin eventueel flankerende maatregelen worden opgenomen. Dit om te voorkomen dat (toekomstige) indexatielasten van opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, ten laste van de fiscale winst worden gebracht.

In die novelle zal de Staatssecretaris tevens een wijziging van de datum van inwerkingtreding van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer voorstellen.

Wij verwachten dat de Staatssecretaris na het kerstreces, dus volgend jaar, met de novelle zal komen. De stemming in de Eerste Kamer zal dan ook volgend jaar plaatsvinden.

Zo wordt het op het gebied van pensioen in eigen beheer dan toch nog een rustige kerst- en eindejaarperiode! Wij wensen u allen hele fijne feestdagen en een goed nieuwjaar.

Geen eenmalige schenkvrijstelling als partnercompensatie bij pensioen in eigen beheer - 21 december 2016

Er komt geen eenmalige vrijstelling van schenkbelasting in relatie tot de partner om zo het succes van de uitfasering van het Pensioen in Eigen Beheer (PEB) te vergroten. Volgens Wiebes hebben een DGA en zijn partner voldoende alternatieven tot hun beschikking, zodat geen sprake hoeft te zijn van een schenking. Dat schrijft hij in het memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017.

Leden van de VVD-fractie vroegen naar de mogelijkheid van deze eenmalige schenkvrijstelling. Wiebes ziet hier niets in: ‘Ook indien men niet in algehele huwelijksgemeenschap is getrouwd, kan men goede afspraken maken dan wel een passende compensatie overeenkomen voor het verlies aan rechten door de partner.’

In de memorie van antwoord benoemt Wiebes een aantal mogelijkheden van compensatie: ‘Net als bij een scheiding kunnen afspraken worden gemaakt om bijvoorbeeld het aan de partner toekomende deel van de waarde van het pensioen bij een professionele verzekeraar onder te brengen. Verder kan de partner compensatie krijgen via bijvoorbeeld aanvullende huwelijkse voorwaarden. Ook de suggestie van de NOB om in een overeenkomst vast te leggen dat de compensatie (uitsluitend) plaatsvindt als de betreffende gebeurtenis (vooroverlijden van de DGA of echtscheiding) zich voordoet, kan een passende compensatie vormen. Als er in relatie tot de pensioenregelgeving sprake is van een passende compensatie van de partner, is geen sprake van een schenking en is derhalve ook geen schenkbelasting verschuldigd.’

Bron: Taxence, 7 december 2016

Bouwkundige aard beslissend bij kwalificatie woning voor overdrachtsbelasting - 21 december 2016

Advocaat-generaal (A-G) Wattel is tot de conclusie gekomen dat men de vraag of een onroerende zaak voor de Wet Belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR 1970) kwalificeert als een woning moet beoordelen naar de bouwkundige aard.

Als een onroerende zaak kwalificeert als een woning voor de WBR 1970, geldt een tarief van 2% in plaats van 6%. Voor deze bepaling verwijst de WBR 1970 niet naar andere wetten. De wetgever noemt als enig criterium dat de onroerende zaak ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’. Dit objectieve criterium kan leiden tot resultaten die niet stroken met het doel van de regeling: doorstroming op de woningmarkt. Maar de wetgever heeft dit gevolg aanvaard.

Bouwkundige aard
Het begrip ‘aard’ moet men volgens de A-G opvatten als bouwkundige aard. In de eerste plaats moet men dus nagaan wat de oorspronkelijke bouwkundige aard en bestemming was bij de bouw van de zaak. ‘Is hij ontworpen en gebouwd als woonhuis, dan is hij naar zijn aard bestemd voor bewoning, ook als er niet meer in wordt gewoond maar er heel andere dingen in gebeuren’ aldus Wattel. Is de zaak niet als woning gebouwd, dan is zij naar haar aard niet bestemd voor bewoning, hoezeer er feitelijk ook structureel in gewoond wordt. Bouwkundige wijzigingen die zo ingrijpend (moeilijk omkeerbaar) zijn dat de aard en het aanzien van de onroerende zaak zijn gewijzigd, kunnen wel leiden tot een herkwalificatie voor de WBR. De functie na de verbouwing moet dan volgens objectieve bouwkundige inzichten verschillen van de functie vóór de verbouwing. De A-G merkt op dat niet is vereist dat de onroerende zaak bewoonbaar is; zij hoeft immers nog niet eens te bestaan.

Nog twijfel?
Pas bij resterende twijfel is naast oorspronkelijke bestemming en eventuele radicale verbouwing met functiewijziging mede van belang wat de publiekrechtelijke bestemming van de zaak is. Levert dat evenmin gezichtspunten op, dan kan men gewicht toekennen aan het structurele feitelijke gebruik. Als ook dat niets oplevert, kan men zich eventueel de vraag stellen of de verkrijging doorstroming op de woningmarkt bevordert.

Bron: Taxence,12 december 2016

Einde pensioen in eigen beheer nu echt aanstaande - 06 juli 2016

De staatssecretaris van Financiën heeft op 1 juli 2016 in een brief aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt op Prinsjesdag een wetsvoorstel in te dienen waarbij het pensioen in eigen beheer definitief wordt afgeschaft. Voor de exacte wetsteksten moeten we dus nog enige maanden geduld hebben, wel heeft hij de contouren van de nieuwe regeling alvast kenbaar gemaakt.

Met ingang van 1 januari 2017 zal het in ieder geval niet langer mogelijk zijn pensioen in eigen beheer op te bouwen. Ten aanzien van de tot dat moment opgebouwde rechten biedt de staatsecretaris twee mogelijkheden, de spaarvariant en de afkoopvariant. In beide situaties wordt voor de bepaling van de pensioenrechten uitgegaan van de fiscale waarde (die rekent met een rente van 4%). Indien gebruik gemaakt wordt van één van deze opties, is de hogere commerciële waarde van de pensioenvoorziening (die ontstaat doordat met een rente van 1% of lager wordt gerekend) niet langer relevant. Het door die hogere commerciële waarde ontstane probleem dat veel DGA’s geen dividend meer kunnen uitkeren, komt dus te vervallen.

Afkoopvariant

De afkoopvariant stelt de DGA in staat in één keer zijn hele pensioenpot naar privé te halen. Daarbij is uitgangspunt overigens de pensioenpot per 31 december 2015. Over de waarde van de pensioenvoorziening dient uiteraard belasting te worden betaald tegen het progressieve tarief (maximaal 52%). Om deze afkoop echter aantrekkelijk te maken kan in 2017 aanspraak gemaakt worden op een korting van 34,5%, in 2018 bedraagt de korting nog 25% en 2019 19,5%. Na 2019 kan geen gebruik gemaakt meer worden van de afkoopvariant. Het effectieve belastingtarief op de afkoop van de pensioenvoorziening bedraagt dus maximaal 34,06% (2017), 39% (2018) of 41,86% (2019). Dit lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk, maar het is wel goed te realiseren dat een ondernemer die naast zijn AOW geen of nauwelijks ander pensioen heeft, na de ingangsdatum van de AOW over de pensioenuitkering uit zijn eigen BV in de eerste en tweede schijf een tarief betaalt van slechts 18,65% respectievelijk 22,5%. De netto opbrengst van de afkoop valt bij de DGA onder de vermogensrendementheffing van Box III, tenzij hij het geld weer terugstort in de BV of aanwendt voor bijvoorbeeld aflossing van de hypotheek.

Spaarvariant

De spaarvariant gaat ervan uit dat het geld van de pensioenvoorziening in de BV blijft. De pensioenvoorziening wordt dan gefixeerd op de fiscale waarde en jaarlijks met een vast rentepercentage verhoogd. Hoe hoog dat rentepercentage gaat worden is nog niet bekend. In eerdere gedachtewisselingen over deze spaarvariant was er tevens sprake van dat na de pensioeningangsdatum de spaarpot in 20 jaarlijkse termijnen diende te worden uitbetaald, een levenslange uitkering behoorde dus niet meer tot de mogelijkheden. In de brief die nu door de staatssecretaris is opgesteld wordt hier niets meer over gezegd. De kans is echter reëel aanwezig dat dit in de definitieve wetstekst wel terugkomt.

De partner

Een belangrijk knelpunt dat ook nu nog niet goed is opgelost is de positie van de partner. Indien immers het pensioen in eigen beheer wordt afgekocht of omgezet in een spaarvariant (waarbij de waarde van de rechten dalen van de commerciële waarde naar de fiscale waarde), vervallen ook de aanspraken op partnerpensioen en tijdsevenredig opgebouwd oudedagspensioen die de partner op grond van pensioenverevening zou hebben indien het tot een echtscheiding zou komen. Daarom is ook de instemming van de partner noodzakelijk om het pensioen te kunnen afkopen of om te zetten in een spaarvariant.

Showstopper

In een bijlage bij de brief gaat de staatssecretaris in op deze positie van de partner als “showstopper”. Echter, ondanks veel omhaal van woorden komt de staatssecretaris als oplossingen niet verder dan dat de partner zou kunnen bedingen dat haar bestaande rechten worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, of dat er een compensatie wordt aangebracht via wijziging van de huwelijksvoorwaarden. Of dit genoeg is om de partner tot ondertekenen te bewegen is maar zeer de vraag. De rol van de partner als mogelijke “showstopper” blijft dus vrijwel zeker overeind staan.

Mocht de partner evenwel niet akkoord gaan, dan zullen de opgebouwde pensioenrechten worden bevroren op de stand per eind 2016, en blijven de huidige fiscale en commerciële waarderingsregels van kracht.

BOX 3 is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het EVRM - 06 juli 2016

Box 3 is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Onlangs heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een kwestie waarbij de belanghebbende stelde dat de vermogensrendementsheffing in box 3 onrechtvaardig is in het geval het rendement van het vermogen lager is dan de belasting die in box 3 op het vermogen wordt geheven.

Wat was de casus?

Een gezin emigreerde naar Noorwegen. Hun voormalige eigen woning in Nederland stond leeg en werd niet verhuurd. De waarde van de woning werd echter belast in box 3. Belanghebbende vond de box 3 heffing onrechtvaardig gezien het feit dat er in 2011 geen rendement werd behaald omdat de woning leeg stond. De Hoge Raad besliste dat voor 2011 het forfaitaire stelsel van box 3, gelet op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever, niet in strijd was met het EVRM. Volgens de Hoge Raad kan box 3 wel in strijd zijn met het EVRM ingeval het fictieve 4% rendement voor particuliere beleggers een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is én het 30%-belastingtarief op dit fictief rendement in individuele gevallen leidt tot een buitensporig zware last.

Hiervan was in casu geen sprake en dus kon de individuele heffing in stand blijven.

Geef verzwegen vermogen nog vóór 1 juli aanstaande op! - 16 mei 2016

Staatssecretaris Wiebes van Financiën roept belastingontduikers op hun verborgen vermogen in het buitenland snel op te geven bij de Belastingdienst. De boete voor belastingontduikers die zichzelf melden bij de Belastingdienst verdubbelt per 1 juli naar 120 procent. ,,Hoe langer je wacht, hoe duurder het wordt,’’ aldus de staatssecretaris.

De komende jaren gaan de belastingdiensten van 100 landen onderling bankgegevens uitwisselen. ,,Verstoppen kan dus niet langer. Mensen die geld verborgen houden in het buitenland, lopen onherroepelijk tegen de lamp.’’

Belastingontduikers die worden ontdekt door de belastingdienst krijgen een boete tot 300 procent over het verschuldigde belastingbedrag. Die boete komt bovenop de belastingschuld.

Voor mensen die hun geld zelf opgeven voordat de Belastingdienst het weet, bedraagt deze boete nu 60 procent. Dat verdubbelt per 1 juli naar 120 procent.

Bron: Rijksoverheid, 12 april 2016

Box 3 heffing afgeschaft? - 20 februari 2016

Het zal u ongetwijfeld niet zijn ontgaan, de meeste kranten en nieuwssites brengen het bericht vandaag met veel nadruk: de Box III heffing zou nagenoeg verleden tijd zijn. En inderdaad, de juridische houdbaarheid van de Box III heffing is verder in de knel gekomen. Maar de weg naar definitieve afschaffing kent nog een aantal hobbels.

Allereerst is van belang te realiseren dat wat vandaag gepubliceerd is, geen uitspraak is van de Hoge Raad of lagere rechters, maar een wetenschappelijk advies van de zogenoemde Advocaat-Generaal aan de Hoge Raad. Een advies dat vaak, maar zeker niet altijd, wordt gevolgd. Zeker wanneer het gaat om politiek controversiële en budgettair ingrijpende zaken heeft de Hoge Raad al meerdere malen laten zien zeer terughoudend te zijn met het op de vingers tikken van de wetgever. Het is dan ook goed een nadrukkelijke slag om de arm te houden.

Indien het advies van de Advocaat-Generaal door de Hoge Raad integraal gevolgd zou worden, betekent dat evenmin dat de Box III heffing met onmiddellijke ingang van tafel is. De Advocaat-Generaal concludeert in zijn advies dat de huidige vermogensrendementsheffing om meerdere redenen als disproportioneel moet worden aangemerkt. Echter, het is niet aan de rechter om de huidige regeling te herstellen of te vervangen, dat is aan de wetgever. Zijn advies is dan ook dat de wetgever een bepaalde termijn gegund wordt om de regeling te vervangen door een wel houdbare regeling. Indien een wetswijziging binnen de gestelde termijn uitblijft, zou de Hoge Raad wel kunnen ingrijpen.

Tot dat moment blijft de huidige regeling (en dus ook de voorgenomen wijzigingen per 1 januari) dus gewoon van kracht. Hierop wordt door de Advocaat-Generaal slechts één uitzondering gemaakt, namelijk voor die gevallen waarbij de over het vermogen geheven belasting meer bedraagt dan de daadwerkelijke inkomsten vermeerderd met de waardeaangroei van de vermogensbestanddelen. Alhoewel niet met zoveel woorden gezegd, ligt het in de rede dat daarbij naar het totale vermogen als geheel wordt gekeken, en niet per vermogensbestanddeel apart. Is de belasting inderdaad hoger dan het rendement, dan is alleen het gedeelte van de belasting dat uitgaat boven het werkelijke rendement disproportioneel. In een voorbeeld: Als een vermogen van € 1 miljoen in totaal 1% (€10.000) aan inkomsten en waardestijgingen genereert, dan dient van de € 12.000 aan Box III heffing per saldo € 2.000 (0,2%) aan de belastingplichtige te worden teruggegeven.

Samengevat: indien de Hoge Raad het advies van de Advocaat-Generaal volgt, zal de wetgever gedwongen worden het stelsel van Box III fundamenteel te wijzigen. Tot dat moment zal alleen in die gevallen waarin de belastingheffing het daadwerkelijke rendement op het vermogen te boven gaat een vermindering van de heffing aan de orde zijn. Daarbij is overigens nog van belang dat het aan de belastingplichtige is om het exacte rendement op zijn totale vermogen te berekenen, rekening houdend met stortingen en onttrekkingen gedurende het jaar. Dat zal, zeker bij omvangrijker vermogens, vaak geen sinecure zijn.

1 2 3 6