rvw-logo
RVW Advies

Nieuws

Zonnepanelen kopen? Vraag de BTW terug! - 06 juli 2015

Voor de bezitters van zonnepanelen zijn het gouden dagen in deze periode met “tropische temperaturen”. Ook vanuit fiscaal oogpunt bezien gaat het de houders van zonnepanelen voor de wind. De btw op de aanschaf van zonnepanelen is namelijk (nog steeds) aftrekbaar terwijl de opbrengsten van de panelen vaak niet tot belastingheffing leiden!

Hoe werkt het?

De houders van zonnepanelen verkopen (een deel) van de opgewekte stroom aan het energiebedrijf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat door deze levering aan het energiebedrijf zonnepaneelhouders zijn aan te merken als ondernemers voor de btw. Zoals elke andere btw-ondernemer zijn zij btw verschuldigd over hun verkopen en mogen zij de btw op hun inkopen in aftrek brengen als voorbelasting. U kunt dus de btw die drukt op de aanschaf van de zonnepanelen terugvragen als aftrekbare voorbelasting.

Wel aftrek geen afdracht

Hoewel u de btw op aanschafskosten wel in aftrek kan brengen hoeft u doorgaans geen btw af te dragen over de verkoop van de stroom aan de energiemaatschappij. Dit komt door de zogenaamde kleineondernemersregeling. Deze regeling komt er in het kort op neer dat wanneer u op jaarbasis minder dan € 1.345 aan btw bent verschuldigd, u in het geheel geen btw hoeft af te dragen aan de Belastingdienst. Bijna alle particuliere eigenaren van zonnepanelen blijven in de praktijk onder deze grens van € 1.345. Let op: in het geval u al een ondernemer voor de btw bent, dient u aangiften te doen over de gezamenlijke activiteiten, wellicht dat u dan niet onder de kleineondernemersregeling valt.

Aanmelden als ondernemer

Om van deze regeling gebruik te maken moet u zich aanmelden als btw-ondernemer bij de Belastingdienst. U dient dit verzoek te doen na aanschaf van de panelen. Indien u de panelen voor 20 juni 2013 heeft aangeschaft is aanmelden als btw-ondernemer helaas niet meer mogelijk.

Geen jarenlange administratie

De btwaftrekken op de aanschafskosten wil natuurlijk iedereen, maar de jarenlange rompslomp van btw-aangiften is natuurlijk weer iets anders! Wat dat betreft denkt de fiscus echter met u mee! Wanneer u in het jaar volgend op het jaar van aanschaf van de zonnepanelen minder dan € 1.345 aan btw bent verschuldigd kunt u de Belastingdienst verzoeken om ontheffing van administratieve verplichtingen. Indien deze ontheffing wordt verleend hoeft u vanaf het volgende kalenderjaar in het vervolg geen btw-aangifte meer te doen.

U kunt uiteraard ook altijd ons raadplegen om uw aangiften te verzorgen!

Relvante wijzigingen Belastingplan 2015 - 17 september 2014

Traditiegetrouw informeren wij u ook dit jaar over de fiscale voornemens welke op Prinsjesdag in het Belastingplan 2015 zijn gepubliceerd. Het Belastingplan 2015 is aanzienlijk minder omvangrijk dan de voorgaande jaren. Blijkens de toelichting op het wetsvoorstel is dit een bewuste keuze geweest. Teneinde de belastingdienst te ontzien heeft men zich beperkt tot die wijzigingen waarvan de invoering op 1 januari 2015 noodzakelijk geacht werd. In de loop van 2015 zullen aanvullende wetsvoorstellen volgen, waarvan de ingangsdatum minder dringend is.

1. Inkomensbeleid

Op het gebied van inkomensbeleid worden een drietal maatregelen genomen. Allereerst wordt het tarief in de eerste schijf in 2015 opgehoogd van 36,25% naar 36,5%. Volgens het kabinet is dit winst, want eerder was een verhoging naar 36,76% voorzien. Desalniettemin een achteruitgang ten opzichte van 2014.

De afbouw van de algemene heffingskorting, die ertoe leidt dat de algemene heffingskorting afneemt naarmate het inkomen toeneemt, wordt verder verhoogd met 0,32%. Doordat vorig jaar al was besloten dat de algemene heffingskorting in 2015 met circa € 100 zou stijgen, leidt dit alleen bij mensen met een inkomen tussen circa € 52.000 en circa € 57.000 tot een teruggang ten opzichte van dit jaar.

Tot slot wordt voor werkenden de afbouw van de arbeidskorting aangepast. Dit voordeel komt echter alleen ten goede aan mensen met een inkomen tussen € 41.300 en € 100.800. De afbouw van de arbeidskorting (waardoor de arbeidskorting afneemt naarmate het inkomen stijgt) begint in 2015 namelijk niet bij € 41.300 zoals vorig jaar was besloten, maar bij € 49.900. Daardoor wijzigt ook de hoogte van het inkomen waarbij de arbeidskorting naar nul is afgebouwd, namelijk van    € 92.200 naar € 100.800. In 2016 en 2017 zal nog een kleine (opwaartse) aanpassing van het startpunt de afbouw volgen.

2. Overige maatregelen inkomstenbelasting

2.1 Eigen woning

Indien de eigen woning wordt verkocht en daarbij een restschuld ontstaat, kan de rente op de schuld in het vervolg gedurende vijftien (in plaats van de huidige tien) jaar nog in aftrek worden gebracht van het inkomen in Box I.

De zogenaamde verhuisregeling zorgt ervoor dat bij een verhuizing de dubbele rentelasten als gevolg van het onverkocht zijn van de oude woning toch als eigenwoningrente mag worden afgetrokken. In het kader van de crisis was de termijn waarover de dubbele lasten mogen worden afgetrokken tijdelijk opgerekt van twee naar drie jaar. Deze termijn van drie jaar wordt nu structureel.

Indien de te koop staande woning (tijdelijk) wordt verhuurd, gaat deze tot het Box III vermogen behoren. Bij wijze van tijdelijke maatregel was ingevoerd dat bij einde van de verhuur binnen de drie-jaarsperiode, de eigenwoning-status (en daarmee de rente-aftrek) weer gaat herleven. Ook deze tijdelijke maatregel wordt nu structureel.

Tot slot wordt de toepassing van het 6% tarief voor de BTW op arbeidskosten voor de renovatie of onderhoud van woningen verlengd tot 1 juli 2015.

2.2 Box III

De ouderenkorting in Box III wordt met ingang van 2016 iets verlaagd. Het extra heffingsvrije vermogen van € 27.984 voor ouderen met een bescheiden inkomen in Box I (minder dan € 19.895) en een vermogen van minder dan € 279.708 wordt met ingang van 2016 volledig afgeschaft.

Voorts wordt een vrijstelling ingevoerd voor het netto-pensioen. Netto-pensioen is pensioen dat in de toekomst wordt opgebouwd over inkomen boven de grens van €100.000. De pensioenpremie voor pensioen over dat hogere inkomen is dan als gevolg van een wetswijziging niet meer aftrekbaar. De consequentie daarvan is dat de uitkeringen te zijner tijd ook niet belast worden, vandaar de benaming netto-pensioen. Een recht op opgebouwd netto-pensioen kan straks niet worden belast in Box III.

2.3 Levensloop

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 voor nieuwe gevallen afgeschaft. Bestaande gevallen met een saldo van meer dan €  3.000 konden tot en met 2021 aan de regeling blijven deelnemen. In 2013 bestond echter de eenmalige mogelijkheid het tegoed in één keer op te nemen, waarbij slechts over 80% van het saldo belasting betaald diende te worden. Voor spijtoptanten komt deze 80%-regeling in 2015 nog een keer eenmalig terug. De regeling is wel beperkt tot maximaal het saldo per 31 december 2013.

2.4 Afkoop lijfrente bij arbeidsongeschiktheid

In geval van langdurige arbeidsongeschiktheid wordt het mogelijk een lijfrentevoorziening voortijdig af te kopen zonder dat dit leidt tot de normaal gebruikelijke strafheffingen zoals revisierente. Het bedrag dat ter zake van de afkoop wordt ontvangen wordt wel gewoon als Box I inkomen belast tegen het progressieve tarief. Het bedrag dat jaarlijks maximaal kan worden onttrokken is gemaximeerd tot € 40.000, of, indien dit hoger is, het bedrag dat gemiddeld in de twee voorafgaande jaren als rekeninkomen voor de lijfrenteaftrek gold. Deze regeling moet het met name voor ZZP’ers mogelijk maken om in geval van arbeidsongeschiktheid voortijdig een aanspraak te maken op hun pensioenpot teneinde in hun inkomen te voorzien.

3. Ondernemingen en ondernemers

3.1 Gebruikelijk loonregeling voor DGA’s

Het salaris van een DGA dient op grond van de huidige wet minimaal gelijk te zijn aan 70% van het gebruikelijk loon voor een soortgelijke dienstbetrekking, met een minimum van € 44.000. Indien bij de vennootschap waarvoor de DGA werkzaam is, of bij een via een minimaal 1/3e aandelenbelang verbonden vennootschap, een werknemer werkt die geen aandelenbelang van minimaal 5% heeft en een hoger salaris heeft, is dat salaris het ijkpunt voor het salaris van de DGA.

De hiervoor genoemde grens van 70% wordt met ingang van 2015 opgehoogd naar 75%.

Met veel DGA’s heeft de belastingdienst afspraken gemaakt over de hoogte van het loon. In het kader van een overgangsregeling dienen deze DGA’s in 2015 uit te gaan van een loon dat gelijk is aan 75/70e van het salaris dat zij over 2013 genoten, tenzij aannemelijk is dat een hoger of lager loon op basis van de wettekst in aanmerking genomen moet worden.

Ook de kring van “normale” werknemers waarmee wordt vergeleken wordt ruimer gesteld. De kring wordt uitgebreid naar alle werknemers van vennootschappen waarin de vennootschap waarvoor de DGA werkzaam is direct of indirect een belang van minimaal 5% heeft.

3.2 Aftrek buitenlandse boetes

Op dit moment zijn boetes die zijn opgelegd door een Nederlandse overheidsinstelling of rechter, of door een instelling van de EU niet aftrekbaar. Deze aftrekbeperking gold niet voor boetes opgelegd door een buitenlandse overheid. Met ingang van 1 januari komt dit verschil te vervallen, en zijn ook buitenlandse boetes niet langer aftrekbaar.

4. Werkkostenregeling

Op 1 januari 2011 is de werkkostenregeling (WKR) ingevoerd. Hierin wordt o.a. geregeld welke kosten een werkgever onbelast aan zijn werknemers kan vergoeden. De werkgever kon er echter voor kiezen om nog steeds de “oude” regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen toe te passen.

Het lijkt nu welhaast zeker dat de WKR op 1 januari 2015 verplicht wordt ingevoerd. De “oude” regels mogen dan niet meer worden toegepast. In een eerdere nieuwsbrief hebben wij al vijf specifieke onderwerpen genoemd die aangepast zouden worden. In het Belastingplan 2015 worden de WKR-puntjes op de i gezet. De puntjes die hierna nader worden toegelicht, zijn:

  1. beperkte introductie van het noodzakelijkheidscriterium;
  2. jaarlijkse afrekensystematiek;
  3. concernregeling;
  4. vrijstelling voor branche-eigen producten;
  5. wegnemen van onderscheid tussen vergoedingen en verstrekkingen (inclusief terbeschikkingstellingen).

Ad 1 Noodzakelijkheidscriterium voor gereedschap en ICT-middelen

Er wordt een noodzakelijkheidscriterium voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur in de werkkostenregeling opgenomen.

Dergelijke voorzieningen moeten naar het redelijke oordeel van de inhoudingsplichtige noodzakelijk zijn voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Noodzakelijk wordt in dit verband uitgelegd als “zonder meer nodig”. Zonder meer nodig betekent dat zonder de voorziening de dienstbetrekking niet goed kan worden uitgeoefend en impliceert dat de voorziening in ieder geval daadwerkelijk bij de uitoefening van de dienstbetrekking gebruikt wordt. De omvang of de intensiteit van dat gebruik is indicatief, maar op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend. Kosten die alleen maar bijdragen aan een goede uitoefening van de dienstbetrekking zijn niet per definitie als “noodzakelijk” aan te merken.

Het is onze verwachting dat, anders dan het kabinet denkt, veel discussie zal ontstaan over het noodzakelijkheidscriterium.

Ad 2 Afrekensystematiek

In de Wet Loonbelasting wordt een nieuwe afrekensystematiek opgenomen. De inhoudingsplichtige hoeft nog maar één keer per jaar te berekenen wat zijn verschuldigde belasting in het kader van de WKR is. Als het kalenderjaar is afgelopen kan de inhoudingsplichtige berekenen wat de totale loonsom is van het verstreken kalenderjaar waarover bij de werknemer is geheven (kolom 14-loon) en daaruit afleiden wat zijn vrije ruimte is en of die is overschreden. De eventueel verschuldigde belasting in het kader van de WKR dient de inhoudingsplichtige dan aan te geven en af te dragen tegelijk met de belasting die over het eerste tijdvak van het nieuwe kalenderjaar is verschuldigd of ingehouden.

Ad 3 Concernregeling

In de Wet Loonbelasting wordt voor de WKR voorts een concernregeling geíntroduceerd waarmee de verschuldigde belasting bij overschrijding van de vrije ruimte op concernniveau vastgesteld kan worden en afgedragen. Bij de toepassing van de concernregeling worden de deelnemende inhoudingsplichtigen tezamen als één inhoudingsplichtige beschouwd voor de bepaling van de verschuldigde belasting met betrekking tot een aantal eindheffingsbestanddelen. Alle tot het concern gerekende vennootschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze belastingschuld.

Ad 4 Personeelskorting

Verder wordt in de Wet Loonbelasting een gerichte vrijstelling opgenomen voor vergoedingen en verstrekkingen ter zake van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap. Aan deze vrijstelling voor personeelskorting wordt de voorwaarde gesteld dat het voordeel niet meer mag bedragen dan 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en niet meer dan €500 per werknemer per jaar. In afwijking van de oude regeling is het niet langer mogelijk om het niet-gebruikte deel van de personeelskorting door te schuiven naar volgende kalenderjaren.

Ad 5 Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van op de werkplek gebruikte voorzieningen gelijktrekken

Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden, kunnen gericht worden vrijgesteld. Deze maatregel neemt dan het thans bestaande onderscheid tussen, al dan niet in eigendom, verstrekte voorzieningen (nihilwaardering) en vergoedingen voor dergelijke voorzieningen weg.

Alles overziend lijkt het er niet op dat de WKR een daadwerkelijke lastenverlichting voor de werkgevers oplevert.

5. Toekomstige hervorming van het belastingstelsel

In een aparte brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris aangegeven te werken aan een verdere en veel ingrijpender herziening van het belastingstelsel. “Meer dan alleen de zolder opruimen” noemt hij dat zelf. De brief bevat een groot aantal “denkrichtingen” aan de hand van diverse te maken keuzes. Erg concrete maatregelen bevat de brief nog niet, maar hij geeft wel een goede inkijk in de thema’s die de komende jaren op de fiscale agenda komen te staan.

5.1 Minder complexiteit

Keuze 1 is volgens de staatssecretaris de keuze voor minder complexiteit. Hij noemt daarbij een tweetal voorbeelden. Als eerste de kinderopvangtoeslag. De regering denkt na over een systeem waarbij de toeslag rechtstreeks wordt betaald aan de opvanginstellingen, hetgeen een forse besparing op administratieve lasten voor de burgers maar ook op bureaucratie moet opleveren.

Ook de vereenvoudiging van de autobelastingen wordt als voorbeeld genoemd. Op korte termijn zullen daarvoor voorstellen komen in de vorm van een zogenaamde “autobrief”. Gezien de wijze waarop uitgebreid wordt ingegaan op de kosten en effecten van de stimuleringsmaatregelen voor CO2-zuinige auto’s ligt het in de verwachting dat daar deels het mes in zal gaan. De totale belastingdruk op het autorijden zal echter niet stijgen is de belofte.

Een aantal andere vereenvoudigingen die als voorbeeld genoemd worden zijn:

Schrappen van de middelingsregelingVerhogen van de aanslaggrens

Het uit de Loonbelasting halen van de directeur-grootaandeelhouder

Vereenvoudigen van pensioen in eigen beheer

5.2 Uitvoeringstoets

Keuze 2 is volgens de staatssecretaris het consequent toepassen van een uitvoeringstoets op plannen van de politiek. Door vooraf na te denken over de mogelijke uitvoeringsproblemen, en als gevolg daarvan regelingen niet of anders invoeren, kan een hoop ellende worden voorkomen.

5.3 Fiscale behandeling ondernemerschap

Keuze 3. Wat betreft de fiscale behandeling van het ondernemerschap wordt aangeroerd dat met name die ondernemers gestimuleerd dienen te worden die ook vanuit ambitie kiezen voor het ondernemerschap, en niet alleen vanwege de fiscale voordelen. Met name de verschillen tussen de fiscale behandeling van de IB-ondernemer, de directeur-grootaandeelhouder en de werknemer zullen dan ook tegen het licht gehouden worden. De zelfstandigenaftrek wordt daarbij onder andere genoemd als een instrument waarvan het nut twijfelachtig is.

Ondernemers moeten gestimuleerd worden door te groeien, van ZZP naar ZMP. De zogenaamde wig (het verschil tussen het netto loon van een werknemer en de bruto loonkosten voor de werkgever) dient daarom verkleind te worden.

5.4 Beter spreiden van belastingdruk over de levensloop

Keuze 4. Op dit moment is de belastingdruk het zwaarst tijdens de werkende periode van ons leven, wanneer ook de meeste kosten zich voordoen (aflossen huis en studieschuld, studie van de kinderen etc). De belastindruk is het laagst voor ouderen, die dergelijke kosten in de regel niet of veel minder hebben. Een betere spreiding lijkt op zijn plaats, maar de staatssecretaris geeft daarbij aan dat een verschuiving van lastendruk van jong naar oud alleen heel geleidelijk zou moeten plaatsvinden.

5.5 Lastenverlichting door grondslagverbreding

Keuze 5 en 6 in de brief van de belastingdienst gaan over het creëren van ruimte voor lastenverlichting, maar ook voor vereenvoudiging door bijvoorbeeld te schrappen in het grote aantal aftrekposten en heffingskortingen. Maar ook een herorientatie op bijvoorbeeld de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6% wordt genoemd. Door hetzij het verlaagde tarief te verhogen, hetzij meer goederen en diensten onder het verhoogde tarief te laten vallen, kun je lastendruk verschuiven van arbeid naar consumptie, en daardoor arbeid goedkoper maken.

5.6 Vergroening

Verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar duurzaamheid wordt bij keuze 7 als een mogelijkheid genoemd, maar tevens wordt daarbij aangekaart dat wij wat betreft de heffing van milieubelastingen al één van de koplopers in Europa zijn. Verdere vergroening van het belastingstelsel kan dan ook alleen in Europees verband, anders worden ondernemingen nodeloos de grens over gejaagd.

5.7 Uitbreiden gemeentelijk belastinggebied

Ook de mogelijkheid de gemeenten meer zelf belasting te laten heffen, in plaats van financiering door het rijk, wordt genoemd. Daarbij wordt wel direct aangetekend dat dan de vraag is waarop gemeenten belasting kunnen gaan heffen. Het is in ieder geval niet de bedoeling dat de belastingverlaging op arbeid die hieruit zou moeten resulteren direct door de gemeenten opgevuld gaat worden met een eigen belasting op inkomen.

6. Slotopmerkingen

Het belastingplan 2015 is voor een belangrijk deel een pas op de plaats. Een aantal kleine wijzigingen en het omzetten van een aantal tijdelijke maatregelen in een structurele faciliteit, daar blijft het eigenlijk bij. De verplichte invoering van de werkkostenregeling, en daarbij aangebrachte wijzigingen, waren eigenlijk al bekend, maar zij zullen de ondernemer de komende maanden nog de meeste hoofdbrekens kosten.

Voor de langere termijn heeft de staatssecretaris een aanzet gegeven voor een discussie over verdergaande hervormingen van ons belastingstelsel. Eén en ander is echter nog weinig concreet. Realisatie zal voor een belangrijk deel afhangen van de bereidheid vanuit diverse politieke stromingen een dergelijke hervorming te steunen. Dit zal waarschijnlijk een proces van lange adem zijn. Uiteraard houden wij u hiervan op de hoogte.

Nog steeds geen duidelijkheid over pensioen in eigen beheer - 03 juni 2014

Staatssecretaris Wiebes heeft op 2 juni antwoord gegeven op Kamervragen betreffende pensioen in eigen beheer. Hoewel er lang naar de respons van de staatssecretaris werd uitgekeken, geeft de omvangrijke beantwoording niet de duidelijkheid waarop werd gehoopt. Wiebes geeft aan dat hij nog geen pasklare oplossing heeft, maar deelt wel zijn gedachten over de kwestie.

Volgens Wiebes is er maar één uitgangspunt: een aanpassing van de regeling voor pensioen in eigen beheer is alleen zinvol als de regelgeving structureel eenvoudiger en begrijpelijker wordt voor zowel de dga als de Belastingdienst. We moeten – als het even kan – af van de ingewikkelde verschillen tussen de fiscale en civiele waarderingsregels bij het eigen beheer. Hierbij stelt de staatssecretaris wel een aantal randvoorwaarden. In de eerste plaats is het volgens hem van belang dat de door de directeur-grootaandeelhouder ingelegde middelen beschikbaar kunnen blijven voor (de financiering van) de eigen onderneming. Verder moet het mogelijk blijven dat iets geregeld kan worden voor de (potentiële) nabestaanden. Ten slotte moet een aanpassing budgettair haalbaar zijn.

In de brief die zijn voorganger op 6 december 2013 aan de Kamer stuurde, zijn al drie oplossingsrichtingen geschetst, namelijk:

    1. De fiscale waardering van de pensioenverplichting vindt plaats op commerciële grondslagen.
    2. De fiscale pensioenverplichting vormt het uitgangspunt voor de herrekening van de pensioenaanspraken (afstempelen).
    3. Er wordt een geheel nieuw systeem ingevoerd: een fiscale reserve in eigen beheer voor de oude dag.

Naar aanleiding daarvan werd onder andere door de Werkgroep Ondernemerspensioen nog een vierde variant aangedragen:

  1. Een beschikbarepremieregeling met een vast oprentingspercentage.

De conclusies ten aanzien van de oplossingsvarianten uit de brief van 6 december 2013 zijn niet veranderd. Variant 1 valt af omdat deze budgettair niet haalbaar is. Variant 2 is een incidentele aanpassing met grote juridische bezwaren en maakt de regeling bovendien voor de langere termijn niet eenvoudiger. Variant 3, de fiscale reserve voor pensioen, biedt objectief de meeste aanknopingspunten voor een echte vereenvoudiging en voldoet volgens de staatssecretaris tevens aan alle genoemde randvoorwaarden. Wiebes werkt dan ook aan een verdere uitwerking van deze variant.

Beschikbarepremieregeling

Bij de vierde variant – de beschikbarepremieregeling met een vast oprentingspercentage – heeft Wiebes twijfels of dit werkelijk tot een vereenvoudiging kan leiden; in ieder geval niet in de voorgestelde vorm, aldus de staatssecretaris. Een beschikbarepremieregeling met een vast oprentingspercentage is volgens de beleidsman sowieso een contradictio in terminis. Intrinsiek aan beschikbarepremieregelingen is namelijk dat de premie weliswaar vast staat, maar het rendement onzeker is. Als het rendement wordt vastgesteld op een bepaald niveau, dan is er in feite weer sprake van een gegarandeerde toezegging, waardoor in wezen geen sprake meer is van een definedcontributionregeling maar van een definedbenefitregeling. Hiermee loop je alsnog het risico dat deze aanspraak voor de jaarrekening op commerciële grondslagen gewaardeerd zal moeten worden. Vanwege de eenvoud van het achterliggende principe van deze voorgestelde variant, is Wiebes wel bereid om te onderzoeken of een nieuw regime, waarin oprenting met een vast percentage een belangrijk ingrediënt is, kans van slagen heeft.

Meer informatie: Beantwoording Kamervragen over pensioen in eigen beheer

Schenken. Do or don’t? - 20 mei 2014

“Met de warme hand geven is leuker dan met de koude hand”, horen wij dikwijls. En daar kunnen wij het volstrekt mee eens zijn! Maar niet alleen wij, ook onze wetgever heeft daar begrip voor. De wetgeving kent dan ook een groot aantal faciliteiten om schenken door ouders aan (klein)kinderen fiscaal aangenaam te laten plaatsvinden. En soms lanceert de wetgever zelfs een speciale aanbieding, zoals de vrijstelling voor het schenken ten behoeve van de eigen woning die dit jaar eenmalig is opgehoogd naar € 100.000. Volgens recente krantenberichten kan deze regeling zich in een aanzienlijke populariteit verheugen.

Maar ondanks alle sympathie die schenken omringt, geldt ook hier: het venijn zit in de details. En dat geldt zeker als er onroerende goederen in het geding zijn. Diverse belastingplichtigen zijn daar recentelijk op een onaangename manier achter gekomen.

Eerste addertje onder het gras: het monumentenpand

Rechtbank Den Haag moest onlangs een oordeel geven over een Rijksmonument.

Ouders schenken een monumentenpand (niet de eigen woning) aan hun minderjarige kinderen. Op zich een aardige manier om de kinderen een begin te laten maken met vermogensopbouw. Zoals dat is voorgeschreven met vermogen van minderjarige kinderen hadden de ouders het pand netjes in de eigen aangifte als Box III vermogen aangemerkt. Tot zo ver niets aan de hand.

Maar nu komt het: voor Rijksmonumenten geldt een speciale regeling waarbij kosten voor onderhoud voor een belangrijk deel in aftrek kunnen worden gebracht. Echter zijn de regels voor de aftrek zodanig ingewikkeld geformuleerd, dat deze aftrek alleen van toepassing is als het pand rechtstreeks eigendom is van de ouders en niet als het via de minderjarige kinderen tot het belastbare vermogen van de ouders wordt gerekend. Doordat de kinderen eigenaar waren van het pand, maar niet zelf de kosten betaalden, konden de kosten in dit geval noch door de kinderen zelf noch door de ouders in aftrek worden gebracht!

Tweede attentiepunt: de timing

Stel: ouders verkopen een woning aan een van hun kinderen voor de werkelijke waarde op dat moment van € 250.000, Een deel van de koopsom ad € 100.000 wordt direct kwijtgescholden. Het kind betaalt dus € 150.000 aan zijn ouders.

Volgens vaste jurisprudentie wordt een kwijtschelding van de koopsom die (nagenoeg) gelijktijdig plaatsvindt met de overdracht van de woning aangemerkt als een schenking van (een deel van) de woning zelf. Deze moet dan gewaardeerd worden op de WOZ-waarde, die gebaseerd is op een peildatum in het verleden. Stel, dat deze WOZ-waarde in dit geval € 280.000 is ( de woning is dus sinds de WOZ-peildatum in waarde gedaald, dit is momenteel heel vaak aan de orde). Het kind dient nu dus niet € 150.000 te betalen aan zijn ouders, maar € 180.000. Doet hij dit niet, dan is er sprake van een schenking van € 30.000, waarover uiteraard weer schenkbelasting verschuldigd is.
Oplossing: kies ervoor om de koopsom eerst om te zetten in een lening, en de kwijtschelding in een later jaar te laten plaatsvinden, dan is er geen vuiltje aan de lucht. Timing is alles!

Derde aandachtspunt: de schoonzoon

Tot slot de situatie waarin ouders gebruik maken van de mogelijkheid een schenking te doen aan een kind met gebruikmaking van de verruimde schenkingsvrijstelling die vanaf 1 oktober vorig jaar tot eind dit jaar geldt. In casus ging het om ouders die aan dochter en schoonzoon een deel van de koopsom voor hun eigen woning hadden geleend. Dat maakte de schenking wel zo makkelijk: met een simpel briefje van ouders aan dochter en schoonzoon werd medegedeeld dat de lening ter hoogte van € 60.000 werd kwijtgescholden. Netjes aangifte gedaan, alles in kannen en kruiken. Een notaris was volgens de wet immers niet nodig, en waarom geld uitgeven als het niet nodig is?

Echter, vier maanden na de schenking liep het huwelijk van dochter en schoonzoon op de klippen. Omdat zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, maakte de schoonzoon aanspraak op zijn helft van het geschonken bedrag. Voor de betrokken ouders een bittere pil in een toch al moeilijke periode. Hadden zij ervoor gekozen de schenking bij de notaris vast te leggen, dan hadden zij kunnen vastleggen dat de schenking nooit zou gaan behoren tot de goederengemeenschap waarin dochter en schoonzoon gehuwd waren (de zogenaamde koude uitsluiting). Schoonzoon zou dan nimmer aanspraak kunnen maken op zijn een deel van de schenking.

Kortom: als u van plan bent te gaan schenken, laat u dan vooral goed voorlichten over de kleine lettertjes van de wet, voordat u zelf op een veel onaangenamere verrassing wordt getrakteerd!

 

Voorgestelde oplossingen door de staatssecretaris voor het DGA-pensioen in eigen beheer - 23 januari 2014

Specifiek voor DGA’s geldt dat in zijn brief van 6 december 2013 de Staatssecretaris oplossingen geeft voor het verschil tussen de commerciële en fiscale pensioenwaardering in eigen beheer. Door de veel hogere commerciële waardering zal het in veel gevallen niet mogelijk blijken om dividend uit te keren. Deze DGA’s missen dan ook de verlaagde AB-heffing in 2014 van 22% (in plaats van 25% heffing). De Staatssecretaris heeft de volgende mogelijkheden onderzocht:

  1. De fiscale pensioenverplichting wordt voortaan op commerciële basis berekend (de fiscale verplichting wordt 2 à 3 x zo hoog).
  2. De fiscale pensioenverplichting vormt het uitgangspunt voor een herrekening van de pensioenaanspraken (die aanspraken worden dan lager).
  3. Het invoeren van een nieuwe vorm van oudedagsreserve ter vervanging van het huidige systeem.

Oplossing 1. is volgens de Staatssecretaris te duur en oplossing 2. werkt slechts tijdelijk omdat er in de toekomst weer financiële problemen zouden kunnen ontstaan. Hij neigt dan ook te kiezen voor oplossing 3. Daarom hieronder een korte weergave van oplossing 3.

Het invoeren van een nieuwe vorm van oudedagsreserve, een korte samenvatting:

De DGA wordt elk jaar twee keuzes geboden: 1. extern verzekeren bij een professionele verzekeraar of 2. er worden geen pensioenrechten opgebouwd maar er kan ten laste van de winst een reserve voor de oude dag worden gevormd.

Die fiscale reserve kan alleen door de vennootschap waarin de materiële onderneming wordt gedreven, worden gevormd. Jaarlijks kan (door een maximaal jaarlijks vast te stellen percentage) worden gedoteerd aan de reserve, mits er dat jaar winst is. De Staatssecretaris kiest niet voor inhaaldotaties voor een verliesjaar.

Voor deze regeling zal dan geregeld worden, dat geen sprake is van een (pensioen)aanspraak voor de loonbelasting. Er zal dan geen loonbelastingclaim rusten op de reserve.

Op de AOW-gerechtigde leeftijd (of indien dit eerder is, stoppen met werken, overlijden of er wordt geen materiële onderneming meer gedreven door het lichaam, of de aandelen in het lichaam worden verkocht) valt de reserve vrij ten bate van de winst. Deze vrijval kan worden voorkomen door een ouderdomslijfrente dan wel een nabestaandenlijfrente af te sluiten (verzekering of geblokkeerde bankspaarrekening/beleggingsrecht). Indien geen lijfrente wordt aangekocht dan is over de vrijval revisierente (huidig tarief 20%) verschuldigd.

Omdat de bovengenoemde oplossing van de Staatssecretaris in eigen beheer fiscaal van aard is en geen sprake is van een arbeidsrechtelijk pensioenaanspraak, betekent dit dat bij echtscheiding de partner geen aanspraak kan maken op verdeling van de reserve voor de oude dag.

Volgens de Staatssecretaris zal bij een keuze voor dit systeem nog bezien dienen te worden hoe een eventuele omzetting zou dienen plaats te vinden. De Staatssecretaris gaat in overleg met de beide Kamers.

We wachten af en houden u op de hoogte.

Wanneer is een fout “kenbaar” De Hoge Raad oordeelt - 20 januari 2014

Als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout die bij de belastingplichtige ‘redelijkerwijs kenbaar’ is, mag de fiscus navorderen zonder nieuw feit. De Hoge Raad geeft aan dat alleen fouten die in één oogopslag te zien zijn, tot de kenbare fouten behoren.

De Hoge Raad sluit zich voor de uitleg van het begrip ‘redelijkerwijs kenbaar’ volledig aan bij wat daarover in de wetsgeschiedenis aan de orde is geweest. Kenbaar moet worden opgevat in de gebruikelijke zin van te kennen, te onderkennen, te onderscheiden. De belastingplichtige moet als het ware in één oogopslag (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag niet juist is. In deze zaak ging het om een aanslag rioolheffing waarop een bedrag van € 235 was vermeld. Dit had € 258 moeten zijn, waarna de gemeente een navorderingsaanslag oplegde van € 23. Maar de enkele vermelding van een bedrag aan rioolheffing van € 235 is niet van dien aard dat daarmee voor een belastingplichtige onmiddellijk duidelijk had moeten zijn dat de aanslag onjuist is, zo oordeelt de Hoge Raad. Het raadplegen van de bijsluiter, waarnaar op het aanslagbiljet wordt verwezen ‘voor verdere informatie’, en van de daarin vermelde website, lag niet voor de hand. De navorderingsaanslag moest worden vernietigd.

Hoge Raad, 10 januari 2014

Bron: Taxence, 16 januari 2014

Aflossing vennootschapslening aftrekbaar bij DGA - 20 januari 2014

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die een lening van zijn bv aflost, mag dit als resultaatsinkomen aftrekken op het resultaat uit overige werkzaamheden. Een vordering waarvan direct duidelijk is dat deze niet kan worden afgelost, mag daarentegen niet in mindering worden gebracht op zijn belastbare inkomen.

In december 2004 verstrekte een bank een lening en een rekeningcourantkrediet aan een BV. De bank bedong hierbij zekerheid in de vorm van een hypotheek op het woonhuis van de directeur-grootaandeelhouder (DGA). Nadat de BV niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen besloot de DGA in 2007 het restant van de lening en de r/c-vordering af te lossen. De DGA wenste deze aflossing vervolgens af te boeken in zijn resultaatsinkomen over 2007. De inspecteur was het hier niet mee eens en betoogde dat de lening een onzakelijk karakter had verkregen. Het was immers, aldus de inspecteur, direct duidelijk dat de vennootschap het ontvangen krediet in de toekomst niet terug zou kunnen betalen. Het feit dat de DGA en niet de bv zekerheid verstrekte, ondersteunt dit betoog.

Partijen waren het erover eens dat op het moment van het sluiten van de overeenkomst sprake was van een zakelijke overeenkomst. Hof Leeuwarden onderkende deze overeenstemming door te stellen dat de overeenkomst tussen belanghebbende en de bank – een onafhankelijke derde – destijds niet onzakelijk was aangegaan. Op basis hiervan concludeerde het hof dat de aflossing door de DGA als storting in zijn werkzaamheidsvermogen moet worden aangemerkt. Hierdoor mocht hij de storting en rente volledig ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden brengen.

Hof Leeuwarden 8 januari 2014

Bron: Taxence, 14 januari 2014

Initiatief Samsom om schulden te verlagen en vertrouwen in de economie te vergroten - 02 september 2013

Nederlanders kunnen binnenkort gemakkelijker hun levensverzekering vervroegd opnemen. Als mensen daarmee hun hypotheek aflossen, hoeven ze geen belasting over het gespaarde kapitaal en het behaalde rendement te betalen. Die plannen, waar het kabinet momenteel aan werkt, zijn bedoeld om de economie aan te jagen. Ze zijn bijvoorbeeld gunstig voor mensen die minder rendement behalen op hun levensverzekering dan ze aan rente over hun hypotheek betalen.

Lees verder