rvw-logo
RVW Advies

Nieuws

Bouwkundige aard beslissend bij kwalificatie woning voor overdrachtsbelasting - 21 december 2016

Advocaat-generaal (A-G) Wattel is tot de conclusie gekomen dat men de vraag of een onroerende zaak voor de Wet Belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR 1970) kwalificeert als een woning moet beoordelen naar de bouwkundige aard.

Als een onroerende zaak kwalificeert als een woning voor de WBR 1970, geldt een tarief van 2% in plaats van 6%. Voor deze bepaling verwijst de WBR 1970 niet naar andere wetten. De wetgever noemt als enig criterium dat de onroerende zaak ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’. Dit objectieve criterium kan leiden tot resultaten die niet stroken met het doel van de regeling: doorstroming op de woningmarkt. Maar de wetgever heeft dit gevolg aanvaard.

Bouwkundige aard
Het begrip ‘aard’ moet men volgens de A-G opvatten als bouwkundige aard. In de eerste plaats moet men dus nagaan wat de oorspronkelijke bouwkundige aard en bestemming was bij de bouw van de zaak. ‘Is hij ontworpen en gebouwd als woonhuis, dan is hij naar zijn aard bestemd voor bewoning, ook als er niet meer in wordt gewoond maar er heel andere dingen in gebeuren’ aldus Wattel. Is de zaak niet als woning gebouwd, dan is zij naar haar aard niet bestemd voor bewoning, hoezeer er feitelijk ook structureel in gewoond wordt. Bouwkundige wijzigingen die zo ingrijpend (moeilijk omkeerbaar) zijn dat de aard en het aanzien van de onroerende zaak zijn gewijzigd, kunnen wel leiden tot een herkwalificatie voor de WBR. De functie na de verbouwing moet dan volgens objectieve bouwkundige inzichten verschillen van de functie vóór de verbouwing. De A-G merkt op dat niet is vereist dat de onroerende zaak bewoonbaar is; zij hoeft immers nog niet eens te bestaan.

Nog twijfel?
Pas bij resterende twijfel is naast oorspronkelijke bestemming en eventuele radicale verbouwing met functiewijziging mede van belang wat de publiekrechtelijke bestemming van de zaak is. Levert dat evenmin gezichtspunten op, dan kan men gewicht toekennen aan het structurele feitelijke gebruik. Als ook dat niets oplevert, kan men zich eventueel de vraag stellen of de verkrijging doorstroming op de woningmarkt bevordert.

Bron: Taxence,12 december 2016

Einde pensioen in eigen beheer nu echt aanstaande - 06 juli 2016

De staatssecretaris van Financiën heeft op 1 juli 2016 in een brief aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt op Prinsjesdag een wetsvoorstel in te dienen waarbij het pensioen in eigen beheer definitief wordt afgeschaft. Voor de exacte wetsteksten moeten we dus nog enige maanden geduld hebben, wel heeft hij de contouren van de nieuwe regeling alvast kenbaar gemaakt.

Met ingang van 1 januari 2017 zal het in ieder geval niet langer mogelijk zijn pensioen in eigen beheer op te bouwen. Ten aanzien van de tot dat moment opgebouwde rechten biedt de staatsecretaris twee mogelijkheden, de spaarvariant en de afkoopvariant. In beide situaties wordt voor de bepaling van de pensioenrechten uitgegaan van de fiscale waarde (die rekent met een rente van 4%). Indien gebruik gemaakt wordt van één van deze opties, is de hogere commerciële waarde van de pensioenvoorziening (die ontstaat doordat met een rente van 1% of lager wordt gerekend) niet langer relevant. Het door die hogere commerciële waarde ontstane probleem dat veel DGA’s geen dividend meer kunnen uitkeren, komt dus te vervallen.

Afkoopvariant

De afkoopvariant stelt de DGA in staat in één keer zijn hele pensioenpot naar privé te halen. Daarbij is uitgangspunt overigens de pensioenpot per 31 december 2015. Over de waarde van de pensioenvoorziening dient uiteraard belasting te worden betaald tegen het progressieve tarief (maximaal 52%). Om deze afkoop echter aantrekkelijk te maken kan in 2017 aanspraak gemaakt worden op een korting van 34,5%, in 2018 bedraagt de korting nog 25% en 2019 19,5%. Na 2019 kan geen gebruik gemaakt meer worden van de afkoopvariant. Het effectieve belastingtarief op de afkoop van de pensioenvoorziening bedraagt dus maximaal 34,06% (2017), 39% (2018) of 41,86% (2019). Dit lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk, maar het is wel goed te realiseren dat een ondernemer die naast zijn AOW geen of nauwelijks ander pensioen heeft, na de ingangsdatum van de AOW over de pensioenuitkering uit zijn eigen BV in de eerste en tweede schijf een tarief betaalt van slechts 18,65% respectievelijk 22,5%. De netto opbrengst van de afkoop valt bij de DGA onder de vermogensrendementheffing van Box III, tenzij hij het geld weer terugstort in de BV of aanwendt voor bijvoorbeeld aflossing van de hypotheek.

Spaarvariant

De spaarvariant gaat ervan uit dat het geld van de pensioenvoorziening in de BV blijft. De pensioenvoorziening wordt dan gefixeerd op de fiscale waarde en jaarlijks met een vast rentepercentage verhoogd. Hoe hoog dat rentepercentage gaat worden is nog niet bekend. In eerdere gedachtewisselingen over deze spaarvariant was er tevens sprake van dat na de pensioeningangsdatum de spaarpot in 20 jaarlijkse termijnen diende te worden uitbetaald, een levenslange uitkering behoorde dus niet meer tot de mogelijkheden. In de brief die nu door de staatssecretaris is opgesteld wordt hier niets meer over gezegd. De kans is echter reëel aanwezig dat dit in de definitieve wetstekst wel terugkomt.

De partner

Een belangrijk knelpunt dat ook nu nog niet goed is opgelost is de positie van de partner. Indien immers het pensioen in eigen beheer wordt afgekocht of omgezet in een spaarvariant (waarbij de waarde van de rechten dalen van de commerciële waarde naar de fiscale waarde), vervallen ook de aanspraken op partnerpensioen en tijdsevenredig opgebouwd oudedagspensioen die de partner op grond van pensioenverevening zou hebben indien het tot een echtscheiding zou komen. Daarom is ook de instemming van de partner noodzakelijk om het pensioen te kunnen afkopen of om te zetten in een spaarvariant.

Showstopper

In een bijlage bij de brief gaat de staatssecretaris in op deze positie van de partner als “showstopper”. Echter, ondanks veel omhaal van woorden komt de staatssecretaris als oplossingen niet verder dan dat de partner zou kunnen bedingen dat haar bestaande rechten worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, of dat er een compensatie wordt aangebracht via wijziging van de huwelijksvoorwaarden. Of dit genoeg is om de partner tot ondertekenen te bewegen is maar zeer de vraag. De rol van de partner als mogelijke “showstopper” blijft dus vrijwel zeker overeind staan.

Mocht de partner evenwel niet akkoord gaan, dan zullen de opgebouwde pensioenrechten worden bevroren op de stand per eind 2016, en blijven de huidige fiscale en commerciële waarderingsregels van kracht.

BOX 3 is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het EVRM - 06 juli 2016

Box 3 is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Onlangs heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een kwestie waarbij de belanghebbende stelde dat de vermogensrendementsheffing in box 3 onrechtvaardig is in het geval het rendement van het vermogen lager is dan de belasting die in box 3 op het vermogen wordt geheven.

Wat was de casus?

Een gezin emigreerde naar Noorwegen. Hun voormalige eigen woning in Nederland stond leeg en werd niet verhuurd. De waarde van de woning werd echter belast in box 3. Belanghebbende vond de box 3 heffing onrechtvaardig gezien het feit dat er in 2011 geen rendement werd behaald omdat de woning leeg stond. De Hoge Raad besliste dat voor 2011 het forfaitaire stelsel van box 3, gelet op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever, niet in strijd was met het EVRM. Volgens de Hoge Raad kan box 3 wel in strijd zijn met het EVRM ingeval het fictieve 4% rendement voor particuliere beleggers een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is én het 30%-belastingtarief op dit fictief rendement in individuele gevallen leidt tot een buitensporig zware last.

Hiervan was in casu geen sprake en dus kon de individuele heffing in stand blijven.

Geef verzwegen vermogen nog vóór 1 juli aanstaande op! - 16 mei 2016

Staatssecretaris Wiebes van Financiën roept belastingontduikers op hun verborgen vermogen in het buitenland snel op te geven bij de Belastingdienst. De boete voor belastingontduikers die zichzelf melden bij de Belastingdienst verdubbelt per 1 juli naar 120 procent. ,,Hoe langer je wacht, hoe duurder het wordt,’’ aldus de staatssecretaris.

De komende jaren gaan de belastingdiensten van 100 landen onderling bankgegevens uitwisselen. ,,Verstoppen kan dus niet langer. Mensen die geld verborgen houden in het buitenland, lopen onherroepelijk tegen de lamp.’’

Belastingontduikers die worden ontdekt door de belastingdienst krijgen een boete tot 300 procent over het verschuldigde belastingbedrag. Die boete komt bovenop de belastingschuld.

Voor mensen die hun geld zelf opgeven voordat de Belastingdienst het weet, bedraagt deze boete nu 60 procent. Dat verdubbelt per 1 juli naar 120 procent.

Bron: Rijksoverheid, 12 april 2016

Box 3 heffing afgeschaft? - 20 februari 2016

Het zal u ongetwijfeld niet zijn ontgaan, de meeste kranten en nieuwssites brengen het bericht vandaag met veel nadruk: de Box III heffing zou nagenoeg verleden tijd zijn. En inderdaad, de juridische houdbaarheid van de Box III heffing is verder in de knel gekomen. Maar de weg naar definitieve afschaffing kent nog een aantal hobbels.

Allereerst is van belang te realiseren dat wat vandaag gepubliceerd is, geen uitspraak is van de Hoge Raad of lagere rechters, maar een wetenschappelijk advies van de zogenoemde Advocaat-Generaal aan de Hoge Raad. Een advies dat vaak, maar zeker niet altijd, wordt gevolgd. Zeker wanneer het gaat om politiek controversiële en budgettair ingrijpende zaken heeft de Hoge Raad al meerdere malen laten zien zeer terughoudend te zijn met het op de vingers tikken van de wetgever. Het is dan ook goed een nadrukkelijke slag om de arm te houden.

Indien het advies van de Advocaat-Generaal door de Hoge Raad integraal gevolgd zou worden, betekent dat evenmin dat de Box III heffing met onmiddellijke ingang van tafel is. De Advocaat-Generaal concludeert in zijn advies dat de huidige vermogensrendementsheffing om meerdere redenen als disproportioneel moet worden aangemerkt. Echter, het is niet aan de rechter om de huidige regeling te herstellen of te vervangen, dat is aan de wetgever. Zijn advies is dan ook dat de wetgever een bepaalde termijn gegund wordt om de regeling te vervangen door een wel houdbare regeling. Indien een wetswijziging binnen de gestelde termijn uitblijft, zou de Hoge Raad wel kunnen ingrijpen.

Tot dat moment blijft de huidige regeling (en dus ook de voorgenomen wijzigingen per 1 januari) dus gewoon van kracht. Hierop wordt door de Advocaat-Generaal slechts één uitzondering gemaakt, namelijk voor die gevallen waarbij de over het vermogen geheven belasting meer bedraagt dan de daadwerkelijke inkomsten vermeerderd met de waardeaangroei van de vermogensbestanddelen. Alhoewel niet met zoveel woorden gezegd, ligt het in de rede dat daarbij naar het totale vermogen als geheel wordt gekeken, en niet per vermogensbestanddeel apart. Is de belasting inderdaad hoger dan het rendement, dan is alleen het gedeelte van de belasting dat uitgaat boven het werkelijke rendement disproportioneel. In een voorbeeld: Als een vermogen van € 1 miljoen in totaal 1% (€10.000) aan inkomsten en waardestijgingen genereert, dan dient van de € 12.000 aan Box III heffing per saldo € 2.000 (0,2%) aan de belastingplichtige te worden teruggegeven.

Samengevat: indien de Hoge Raad het advies van de Advocaat-Generaal volgt, zal de wetgever gedwongen worden het stelsel van Box III fundamenteel te wijzigen. Tot dat moment zal alleen in die gevallen waarin de belastingheffing het daadwerkelijke rendement op het vermogen te boven gaat een vermindering van de heffing aan de orde zijn. Daarbij is overigens nog van belang dat het aan de belastingplichtige is om het exacte rendement op zijn totale vermogen te berekenen, rekening houdend met stortingen en onttrekkingen gedurende het jaar. Dat zal, zeker bij omvangrijker vermogens, vaak geen sinecure zijn.

Intellectuele eigendom in aparte B.V. - 20 februari 2016

“Eén BV is geen BV”, zegt men wel eens. Misschien een beetje rare uitspraak, maar wat men bedoelt is het volgende. Als het gehele ondernemingvermogen in één BV is ondergebracht, loopt men belangrijke risico’s wanneer deze BV financieel in zwaar weer terecht komt of zelfs failliet gaat. Daarom kiezen veel ondernemers voor een structuur met ten minste twee BV’s. In de meest simpele vorm: een holding en een werk-BV. In de holding kunnen dan waardevolle bezittingen, zoals het bedrijfspand, worden ondergebracht. Als de werk-BV onverhoopt failliet zou gaan, houdt de ondernemer in ieder geval zijn holding over, is dan de gedachte hierachter. Op deze wijze kan in dit voorbeeld het bedrijfspand buiten een faillissement worden gehouden.

Tegenwoordig is voor veel ondernemers de intellectuele eigendom van bijvoorbeeld software één van hun belangrijkste assets. Intellectuele eigendom is een ruim begrip. Van oudsher vallen hier zaken onder als octrooien, patenten en (in de agrarische sector) kwekersrechten, maar ook merknamen/ logo’s etcetera. In de IT-sfeer is dit uitgebreid met zaken als de eigendom van zelf ontwikkelde software, computer games, al dan niet complexe websites enzovoort. Voor veel ondernemingen is dit soort intellectuele eigendom (i.e.) essentieel voor de bedrijfsuitoefening. Net zoals van oudsher het bedrijfspand al vaak in een aparte BV buiten de risicosfeer wordt gehouden, kiezen veel ondernemers er daarom tegenwoordig voor om ook hun i.e.-rechten buiten de risicosfeer te houden in een aparte BV.

Het vergt echter een zorgvuldige uitvoering en begeleiding om ervoor te zorgen dat een i.e.-recht uit de risicosfeer wordt gehaald. Zo moeten de i.e.-rechten in bepaalde gevallen worden gewaardeerd en op de juridisch juiste wijze worden overgedragen. Bij deze overdracht dient in beginsel voorkomen te worden dat er belasting verschuldigd wordt. Afhankelijk van de situatie zijn hiervoor verschillende fiscale faciliteiten beschikbaar. Denk bijvoorbeeld aan de juridische fusie of splitsing of overdracht van het i.e. binnen een fiscale eenheid. Hierbij geldt: elke situatie is anders. Ook geldt: RVW Fiscaal Juridisch Advies helpt! Indien i.e.-rechten essentieel zijn voor het voortbestaan van uw onderneming, dan kan het slim zijn om deze in een aparte BV onder te brengen. Wij bespreken dan graag eens met u hoe dit in uw geval het beste kan worden geëffectueerd.

Verbod op privégebruik auto vereist - 22 januari 2016

Een werkgever die een schriftelijk verbod op privégebruik van auto’s niet handhaaft, stelt de auto’s gewoon voor privégebruik ter beschikking en moet loonheffingen afdragen.

Een werkgever bood vennoten een reiskostenvergoeding of een auto voor zakelijk gebruik. Daarbij kwam de werkgever met de vennoten een schriftelijk verbod op privégebruik van de ter beschikking gestelde bedrijfsauto’s overeen. De werkgever veronderstelde dat de vennoten ook geen behoefte hadden die auto’s privé te gebruiken vanwege de hoge werkdruk. Rechtbank Den Haag overwoog echter dat de wet meer vereist dan de enkele schriftelijke vastlegging van een verbod, zoals het houden van toezicht op het verbod en het opleggen van een passende sanctie bij overtreding daarvan.

Nu het bedrijf niet alleen niet kon aantonen het verbod daadwerkelijk te handhaven, maar ook geen kilometeradministratie had bijgehouden en niet kon aantonen dat de ingediende declaraties uitsluitend zakelijke ritten betroffen, had de inspecteur terecht geconstateerd dat de ingediende aangifte aanzienlijk te laag was.

Bron Taxence, 11 januari 2016

Och was ik maar bij moeder thuis gebleven - 19 november 2015

Johnny Hoes wist het in 1961 al. Je bent beter af in het ouderlijk huis. Voor je het weet, leg je het immers af tegen die sectiecommandant. Kom het erf dus niet af. In de seventies kwam hetzelfde advies nogmaals tot ons, maar nu in de persoon Guus die toch vooral naar huus moest komen. Aldus niemand minder dan Alexander Curly. Zo veel wijze adviezen die kennelijk toch en masse in de wind worden geslagen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en dus gaan we toch de deur uit. En voor je het weet, wordt je later ooit DGA en loop je ondertussen iemand tegen het lijf met wie je trouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat. En later blijkt dat die DGA’s een adviseur plegen te hebben.

Binnenkort komt de DGA-adviseur voor een enerverende uitdaging te staan. De DGA mag misschien immers zijn pensioenpot met korting afkopen. Een simpele oplossing voor een groot probleem dat in brede kring voorkomt.

Natuurlijk zijn er allerlei haken en ogen maar eenmaal verblind door de aangereikte heilige graal, wil de DGA deze molensteen graag van zich afwerpen. De adviseur en zijn klant de DGA (m/v) zullen het snel eens zijn: gelijk doen, die afkoop. Wie in complottheorieën gelooft, zal achter deze kans toch het resultaat van een geraffineerde lobby van echtscheidingsadvocaten bevroeden. Afkopen van pensioen is niet zo moeilijk, maar was er ook niet iets met de partner van de DGA? Iets over meetekenen of zo? Ja, ook hier gaat dit spelen. Dus ja, u ziet de DGA al voor u: schat, kom eens hier. Ik zit hier met onze (hé, meestal spreekt hij over ‘mijn adviseur’) adviseur en die zegt dat jij hier even moet tekenen. Ja, er verandert namelijk weer wat met dat pensioen. Ja, je hebt gelijk hoor. Het is tegenwoordig ieder jaar zo ongeveer dat jij weer even ergens moet meetekenen omdat ze zo nodig weer de wet wijzigen. Maar geloof me, nu is het echt de laatste keer hoor. Dat vind jij toch ook wel fijn? We hebben voortaan minder kosten aan de boekhouder (hé, zie hem eens een beetje sip kijken, haha) en we zijn voor eens en voor altijd van dat pensioengedoe af.

De feestvreugde kan niet op. Een win-win-win situatie. DGA blij want hij weet weer waar hij aan toe is als hij zijn jaarrekening krijgt, fiscus blij want we hebben belasting betaald, echtgenote blij want ze is verlost van het ieder jaar maar weer moeten tekenen van al die overeenkomsten die ze toch al niet snapte. Tja, wie durft dit feestje te verstoren? Wees maar niet bang dat het verstoord wordt. Straks belt de ZorgplichtPiet aan die even komt checken of de partner (m/v) het allemaal wel goed had begrepen. Of die zit op Facebook en ziet dat er een nieuwe groep is gestart, genaamd “50 +-partners (m/v) met een pensioengat van hier tot aan de Huishoudbeurs en de Autorai”.

Nieuwsgierig als je bent, klik je dan toch even door? En ja, dan gaat er weer een (heel andere) wereld voor je open. Dames en heren DGA opgelet. Luister naar Johan Cruijff: je gaat het pas zien als je het doorhebt.

Auteur(s)
Drs. C. Overduin, Grant Thornton en redacteur van Fiscaal Praktijkblad

Stakingswinst investeren in nieuwe onderneming - 16 november 2015

Doorschuiving stakingswinst geldt ook voor onttrokken bedrijfspand dat is overgebracht naar het privévermogen.

Belanghebbende X drijft een horeca onderneming in een tot de onderneming behorend bedrijfspand. In 2010 verkoopt hij de onderneming aan A maar niet het bedrijfspand. Het bedrijfspand is overgebracht naar het privévermogen van X en wordt daarna door X verhuurd aan de onderneming van A.

X start in 2010 een nieuwe onderneming op het gebeid van aan-/verkoop en verhuur van onroerende zaken.

De inspecteur corrigeert de aangifte 2010 met de behaalde stakingswinst in de gewone aanslag. X is het daar niet mee eens en beroept zich op de doorschuifregeling wegens herinvestering in een nieuwe onderneming.

Op grond van de doorschuifregeling is de winst behaald bij staking van een onderneming niet belast als aannemelijk is dat deze winst binnen 12 maanden na staking wordt geherinvesteerd in een nieuwe onderneming. Die winst wordt vastgelegd in een conserverende aanslag. Na aanschaf van de nieuwe onderneming wordt die winst afgeboekt van de aanschaffings-/voortbrengingskosten van de nieuwe onderneming. Alsdan wordt de in de conserverende aanslag vermelde stakingswinst dienovereenkomstig verminderd.

Volgens de inspecteur is de doorschuifregeling niet van toepassing op de onttrekkingswinst van het bedrijfspand.
De Rechtbank oordeelt dat de inspecteur de stakingswinst ten onrechte heeft belast omdat die faciliteit geldt voor bij staking behaalde winst en dus ook voor de onttrekkingswinst van het bedrijfspand dat is overgebracht naar het privévermogen. Vervolgens merkt de rechtbank op dat X aannemelijk heeft gemaakt dat hij eind 2010 voornemens was de stakingswinst te herinvesteren. X kon dan ook gebruik maken van de doorschuifregeling.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat er sprake is van te conserveren inkomen, dat hiervoor een aparte conserverende aanslag dient te worden vastgesteld en dat die verschuldigde belasting niet kan worden geheven via een gewone aanslag.

Het gelijk is aan belanghebbende X.

De VAR, hij is nog niet “dood” hij leeft.. - 21 oktober 2015

Uitstel invoering Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties. De VAR blijft nog even bestaan.

Staatssecretaris Wiebes heeft gisterenavond aangegeven dat de gewenste ingangsdatum van 1 januari 2016 voor Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties en daarmee de afschaffing van de VAR niet wordt gehaald. De Streefdatum voor de inwerkingtreding wordt 1 april 2016. De staatssecretaris heeft de volgende punten voorgesteld.
•Overeenkomsten die voor 1 februari 2016 worden voorgelegd aan de Belastingdienst, zullen voor 1 april 2016 zijn beoordeeld en, indien het oordeel is dat daarmee buiten dienstbetrekking wordt gewerkt, zo mogelijk gepubliceerd. Hoe sneller partijen hun (voorbeeld)overeenkomst aan de Belastingdienst voorleggen, des te meer tijd is er voor overleg met de Belastingdienst en de implementatie.
•Er geldt een implementatietermijn tot 1 januari 2017. Dat houdt in dat alle opdrachtgevers en opdrachtnemers tot 1 januari 2017 de tijd hebben om zo nodig hun werkwijze aan te passen aan een werkwijze die is voorzien in een voorbeeld- of modelovereenkomst. Tot die tijd zal de Belastingdienst wel toezicht houden, maar nog geen repressieve handhavingsmaatregelen nemen. Dit betekent dat de Belastingdienst waar nodig zal waarschuwen en partijen erop zal wijzen op welke punten een aanpassing van hun werkwijze nodig is om buiten dienstbetrekking te werken.
•Het wetsvoorstel heeft geen terugwerkende kracht, dus tot op het moment van inwerkingtreding van de wet blijft de vrijwarende werking van de VAR voor de opdrachtgever bestaan. Indien na de inwerkingtreding wordt geconstateerd dat er sprake is van een dienstbetrekking, kunnen eventuele handhavingsmaatregelen dus niet zien op een periode waarvoor de opdrachtgever zich nog op de vrijwarende werking van de VAR kan beroepen. Bij partijen die na 1 januari 2017 niet volgens een beoordeelde (voorbeeld)overeenkomst of modelovereenkomst werken, kan worden gehandhaafd als blijkt dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Als deze dienstbetrekking in 2016 al bestond, wordt door de vrijwaring alleen de periode vanaf 1 april 2016 in de handhaving betrokken.
•Evidente fraude blijft de Belastingdienst uiteraard te allen tijde aanpakken.

Duidelijk is dat de staatssecretaris tijd wil kopen en hoopt dat het wetsvoorstel ongeschonden door de Eerste Kamer komt. Verder lijkt het erop dat hij belangenorganisaties aan het paaien is door enkele voorbeeldovereenkomsten van VNO-NCW en MKB Nederland alsook de uitzendbranche (tussenkomst) op de website van de Belastingdienst te zetten. Er zijn sinds gisteren 19 overeenkomsten gepubliceerd, die ofwel uitblinken in gedetailleerdheid of zo algemeen van aard zijn dat handhaving door de Belastingdienst niet mogelijk is Voorbeeldovereenkomsten Belastingdienst. Beter zou zijn om ook dit wetsvoorstel terug te trekken en door te gaan met de VAR en die beter te handhaven.